Dertig jaar bij de tijd; De wisselwerking tussen mode en beeldende kunst

De vraag of mode ook kunst is, wordt niet gesteld op de expositie 'Mode en Kunst 1960-1990' in Brussel. Wel: Hoe verhoudt de mode zich tot de beeldende kunst en wat betekent mode als maatschappelijk fenomeen?

Mode en kunst 1960-1990, t/m 7 jan in het paleis van Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23 of Koningsstraat 10, Brussel. Di t/m zo van 10-18u. Inl 00-3225078469. Parallel is er ook een expositie van Diller + Scofidio, getiteld 'Investments': met (video)-installaties (waarin o.m. het witte overhemd in al zijn facetten wordt ontleed) becommentariëren de architectuurdocenten kleedgewoonten en kleedcodes. T/m 3 dec.

Sweeter than sweet luidt het bijschrift. Toch is de (bruids)jurk van de Japanse ontwerpster Rei Kawakubo uit de laatste wintercollectie niet zoetig. De witte bolle rok doet tegelijkertijd denken aan een wieg waar je lekker volgezogen in weg wil soezen, en aan een bleekwit kraamkamertje waarin het barenswerk misschien iets minder woest zal zijn. Kijk, uit de ballonrok groeit een buidel: wijd ontsloten is die ode op de geboorte - het begin - en op hetzelfde moment een afgrond die aanzuigt; oeps, floep, terug naar waar je vandaan komt - het einde.

Een kledingstuk (bestaande uit een truitje plus rok van aan elkaar geborduurde cirkeltjes in lammetjespap-witte wol) dat zulke beelden oproept, dat mag je een kunstwerk noemen. Een kunstwerk dat je bovendien wel aan zou willen trekken, niet om ermee te showen, maar om eens te ervaren hoe die binnenste soep van instincten en hormonen 'veruitwendigd' kan worden, een eigen, expressieve vorm krijgt. 'Hé schatje, dit ben ik, dit is deel van mij.' Wie zei toch dat het naakte lichaam een ware aard verbergt die door kleding aan het licht wordt gebracht?

Is mode kunst? Het is een rotvraag, die eerst andere, moeilijke, zo niet onbeantwoordbare vragen oproept. Is toegepaste kunst kunst? Wat is kunst? Is alle mode toegepaste kunst? Zijn Gaultier en Kawakubo bijvoorbeeld visionaire scheppende kunstenaars? En dan ook: hoe modieus is de hedendaagse kunst? Gelukkig wordt de vraag 'is mode kunst' niet zo rechtstreeks gesteld op de expositie 'Mode en Kunst 1960-1990' die vorige week in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten opende. Hoe verhoudt de mode zich tot de beeldende kunst is de kwestie, en wat betekent mode als maatschappelijk, politiek en cultureel fenomeen. Het levert een verhelderend en verwarrend, een soms lichtvoetig en soms nogal zwaar parcours langs negen thema's: in zalen met titels als 'nieuwe ruimtelijkheid', 'pop-art en de herontdekking van het lichaam', 'zapping' en 'punk' staat kleding tegenover moderne kunst.

De vraag is niet nieuw: Cecil Beaton hield zich er in zijn boek The Glass of Fashion (1954) al mee bezig en concludeerde overigens dat de mode in al haar vluchtigheid juist de vijand van de kunst is, zoals een malle verliefdheid haaks staat op blijvende liefde. Waar de mode-ontwerper uitdrukking wil geven aan de geest van de tijd, richt de ware kunstenaar zijn pijlen op waarden die buiten de tijd staan, aldus de beroemde modefotograaf.

Het is een stelling die inmiddels nuancering behoeft. Aan de ene kant is de permanente vernieuwingsdrang, de wens om steeds een stapje voor te blijven zodat de beschouwer geschokt en geprikkeld wordt en aan het denken wordt gezet, (en zijn begeerte wordt opgewekt) een belangrijke drijfveer van zowel ontwerper als 20ste-eeuwse kunstenaar. Aan de andere kant is al lang onderkend dat mode veel meer is dan frivole lichtzinnigheid en triviale uiterlijkheid die ieder half jaar vernieuwing eist en leidt tot een moordende cyclus van collecties en shows.

Mode is veel constanter dan op het eerste gezicht lijkt en, bezien van een grotere afstand, wordt een uitspraak gedaan over wat grote groepen mensen in een bepaalde periode beweegt, over machtstructuren en leefwijzen. Latere historici kunnen aan het uiterlijk van de twintigste-eeuwse mens direct bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen in deze eeuw aflezen. De constanten zijn, denken de duiders van nu tenminste, democratisering en feminisme.

De tentoonstelling in Brussel laat zien dat belangrijke ontwerpers en kunstenaars uit de afgelopen drie decennia elkaar beïnvloedden, van elkaars idioom gebruik maakten, leentjebuur speelden, en, al of niet bewust, met dezelfde concepten worstelden. Feminisme, bijvoorbeeld, het rollenspel van vrouw (en man), het cliché van de vrouw als lustobject is een steeds terugkerend thema. Waar Jean Paul Gaultier zijn visie neerzet in provocerende en ironische jurken, bespot en bekritiseert Cindy Sherman het gangbare vrouwbeeld met foto's van zichzelf als uitgehongerde mannequin, kwetsbare madonna of roodverbrand huisvrouwtje dat zich zielig ongemakkelijk voelt in een veel te mooi corset.

Nu zijn de getoonde kledingstukken van Gaultier niet zo extreem - de oranje fluwelen avondjurk bijvoorbeeld, is best draagbaar; al zal niet iedereen het aandurven om met zulke vooruitstekende granaatborsten ten tonele te verschijnen. Ook het leren vest met zilverborduursel in een chip-plaat patroon is een opvallend maar niet onmogelijk kledingstuk, en de jurk van huidkleurige tule met een print van borsten en schaamhaar is dat evenmin. Maar kleding is, hoe je het ook wendt of keert, in de eerste plaats functioneel. Als een jurk primair een autonoom kunstwerk wil zijn, de verbeelding van een idee, waar blijft de drager dan nog? Wie zou er werkelijk willen trouwen in Gaultiers roze satijnen bruidsjurk, een geraamte van corsetbalijnen en een lange sleep van linten die bij elkaar gehouden worden door een onverbiddelijke rijgveter. Inpakkunstenaar Cristo bracht dezelfde boodschap overigens jaren eerder met grover geschut; de sleep van zijn Wedding Dress is een enorme in wit satijn en kabels ingepakt rotsblok.

Het naast elkaar zetten van mode-ontwerpen en beeldende kunst toont aan dat ontwerpers en kunstenaars zich bedienden van dezelfde vormen. De driedimensionale abstracties van kunstenaars als Francois Morellet en Gianni Colombo die met de begrippen tijd en ruimte stoeiden, staan dicht bij de ruimtelijke en driedimensionale ontwerpen van André Courrèges, Pierre Cardin en Paco Rabanne. Rabanne's maliënkolder-achtige mini-jurken van plastic plaatjes die met metalen ringetjes verbonden zijn en “die op het minste zuchtje bewegen”, waren volgens de ontwerper rechtstreeks geïnspireerd op kunstenaars als Rafael Soto of Julio le Parc die metaal en plastic gebruikten om beweging, ruimte en licht te verbeelden. Begrippen die met maanreizen in het geheugen een nieuwe inhoud kregen.

In dezelfde jaren zestig gaan aan de andere kant van de oceaan pop-art en de ontwikkeling van een jeugdcultuur met zijn rebellerige anti-mode hand in hand. Uit deze stijl zijn geen kledingstukken te zien. Geen wonder; het was straatmode, en het geheel van minirokken, spijkerbroeken, blote navels en afghaanjassen stond of viel met hoe ieder individu dat zelf invulde. Vrijheid, blijheid, en niks dictaten of voorbeelden van avantgardistische ontwerpers. Die sukkelden er nu even achteraan. Iedere collage die de tentoonstellingsorganisatie gemaakt zou kunnen hebben, zou geen recht doen aan die individuele interpretatie. Dus wordt hier volstaan met dia's uit die periode, en een kamerbrede foto van een etalage-inrichting van Andy Warhol voor een Newyorks warenhuis, “waarin hij met bijtende ironie precies die kleren ensceneert die de betwiste waarden van het kapitalistische Noord-Amerika symboliseren”.

Er is een zaal met letterlijke citaten van kunstwerken op kledingstukken - met onder meer de Mondriaan en Picasso jurken van Yves Saint Laurent die hiermee, aldus het bijschrift, het verheven kunstwerk wilde desacraliseren. Het doet anno 1995 gedateerd aan. Nu worden moderne kunst en oude meesters lukraak over T-shirts, stropdassen en gazen stretchjurken gestrooid. Dan zet het met olieverf beschilderde linnen doek in T-shirt vorm van ontwerper Jean-Charles deCastelbajac uit 1984 de zaak leuker op zijn kop: je suis toute nue en dessous staat er op het stijve linnen. In de museumwinkel verkopen ze katoenen T-shirts met het opschrift Je suis un objet d'art.

De Japanse ontwerpers zijn prominent vertegenwoordigd, ingeleid door het begrip vergankelijkheid. Twee kunstwerken volstaan, en terecht, want de minimale en eenduidige kledingstukken van Kawakubo en Yohji Yamamoto spreken hun eigen taal, behoeven geen context. Evenmin als de geplooide stoffen van Issey Miyake die vibreren in de schijnwerpers en ieder moment tot leven kunnen komen. Hij heeft er nog kleren van gemaakt ook. In uiterst simpele vormen, vierkanten, cirkels - en dat draagt zo te zien comfortabel. De Japanners zijn bovendien wars van nadrukkelijke verleiding, behoeven geen pose, geen koketterie. Een verademing, zeker nu in het Westen weer naar hartelust wordt geput uit de kostuumhistorie. Het is al pracht en praal en metersbrede kostbare stoffen bij Lacroix, Galliano en Dior; ware Haute Couture voor de happy few.

Alles behalve overdaad is het ten slotte bij de Belgische ontwerper Martin Margiela. Hij verzet zich tegen het verspillende mechanisme van de mode-industrie, en maakte een collectie witte jurken van afvalmateriaal die alles behalve grungy zijn. Het is jammer dat zijn ontwerpen alleen te zien zijn op een schimmige video die eindeloos terug moet spoelen, dus als je even niet oplet mis je dit onderdeel. De relatie tussen kunst en mode raakt dan ook een beetje op de achtergrond. Warhols laatste avondmaal bewerkt met camouflagevlekken laat de bezoeker behoorlijk in het ongewisse wat nu de link is tussen het een en het ander.

Mogen de raakvlakken hier onduidelijk zijn, elders soms erg associatief, dit is een spannende, verwonderlijke mode-expositie. Maar waarom begint de tentoonstelling eigenlijk in de jaren '60? Uit de catalogus en ook uit sommige bordteksten blijkt dat al eerder sprake was van een vruchtbare samenwerking en wisselwerking tussen mode-ontwerpers en kunstenaars. En dat er dus veel is veranderd ten opzichte van vorige eeuwen, toen klerenmakers anonieme ambachtslieden waren in dienst van een aristocratie die de pronkzuchtige kledingnormen stelde. Maar wat hadden Shiaparelli, Dali en Cocteau in de jaren dertig dan met elkaar van doen? En Coco Chanel met Picasso en Cocteau? Misschien is het waar dat de mode zich pas in de jaren zestig echt onttrekt aan “macht en rijkdom”, en pas dan “het huwelijk aangaat met kunst en cultuur”, zoals Richard Martin in de catalogus schrijft. Maar dan hebben ze voor de trouwdag toch flink gevreeën.

    • Edith Schoots