De eerste experimenten met gentherapie hebben geen zieken genezen

Zieke mensen krijgen steeds vaker te horen dat de kwaal in hun genen zit. Desgewenst vertelt de arts op welk chromosoom het gen ligt en welk defect het gen vertoont. Dagelijks worden er nieuwe gendefecten vastgesteld die tot ziekte leiden. De diagnostiek van ziekten verbetert erdoor. Artsen kunnen vaak beter voorspellen hoe het een patiënt in de toekomst zal vergaan. Maar de patiënten willen liever beter worden.

Ideeën om defecte genen door intacte exemplaren te vervangen ontstonden al snel nadat de eerste genen waren gevonden. Vooral ziekten die door één genafwijking worden veroorzaakt waren kandidaat. Vijf jaar geleden is de eerste gentherapie op mensen toegepast en tegenwoordig zijn er al ruim 100 experimenten bezig of afgesloten. Maar successen zijn nog niet gemeld.

In The New England Journal of Medicine van 28 september staan twee verslagen van experimenten bij lijders aan cystische fibrose en Duchenne's spierdystrofie waarvan vooraf veel werd verwacht. Cystische fibrose en spierdystrofie worden door één gen veroorzaakt en in beide gevallen is de werking van het gen beperkt tot een deel van het lichaam dat bovendien voor therapie redelijk bereikbaar is. Spierdystrofie treft vooral de skeletspieren. Taaislijmziekte veroorzaakt slijmophopingen in de longen, die daardoor snel ontstoken raken, en moeilijkheden met de spijsvertering, doordat de verteringsenzymen uit de alvleesklier slecht vrijkomen.

De bedoeling was om alleen cellen te herstellen die bij de ziekte betrokken zijn. Bij cystische fibrose zijn de longproblemen levensbedreigend. Als in de cellen die de longblaasjes bekleden een intact gen kan worden ingebracht zou dat de slijmvorming kunnen onderdrukken. In de spiercellen van spierdystrofiepatiëntjes ontbreekt een cruciaal eiwit. Door myoblasten (cellen waar een spiercel uit groeit) met een intact gen in de spier te injecteren zouden door celfusies de spieren weer enigszins kunnen functioneren.

Maar een experiment met geïnjecteerde herstelde myoblasten bij een tiental jongens had geen krachtiger spieren als resultaat. Evenmin slaagde een niet-ziekteverwekkend virus er in om voldoende van het intacte cystische-fibrosegen in luchtwegcellen van cystische fibrosepatiënten te krijgen.

Myoblasten fuseren bij mensen kennelijk slechter dan bij muizen, waar het spierdystrofie-experiment wel effect had. Ook het afweersysteem van de spierpatiëntjes was actiever dan bij de modelmuizen, zodat de myoblasten werden vernietigd. Bij cystische fibrose blijkt het gebruikte virus onvoldoende infectiekracht te hebben om de luchtwegcellen binnen te dringen. Wellicht hebben de cellen in onze luchtwegen een verdedigingsmechanisme tegen virussen ontwikkeld, omdat de infectiedruk daar van nature altijd erg hoog is.

Voor The New England Journal of Medicine is de hoop dat gentherapie ooit iemand zal genezen met deze teleurstellend verlopen experimenten niet vervlogen. De eerste negatieve experimenten illustreren het embryonale stadium waarin de gentherapie verkeert, luidt het commentaar.