Verstarring in het onderwijs tast vitaliteit van arbeidsbestel aan

In 1936 bezocht George Orwell een aantal mijnwerkersgebieden in Lancashire en Yorkshire die getroffen waren door massale werkloosheid. In The Road to Wigan Pier (1937) doet hij daar verslag van. Hij schrijft onder meer: “Er bestaat geen twijfel over het dodelijke, afstompende effect van werkloosheid op iedereen, getrouwd of alleenstaand en op mannen meer dan vrouwen. De knapste intellecten kunnen er geen weerstand tegen bieden [..] Waarom maken zij zo weinig gebruik van hun talenten? Zij hebben alle vrije tijd van de wereld? Waarom gaan zij er niet voor zitten en schrijven boeken? Omdat om boeken te schrijven je niet alleen comfort en afzondering nodig hebt - en afzondering is nooit gemakkelijk in een arbeiderswoning - maar ook gemoedsrust. Je komt tot niets [..] met die afstompende, duivelse wolk van werkloosheid die over je hangt”.

De observaties van Orwell zijn tot op de dag van vandaag gedocumenteerd. Die literatuur corrigeert de veronderstelling dat mensen, of het nu om ongeschoolde arbeiders of intellectuelen gaat, het gemakkelijk zonder werk kunnen stellen. De bezige basisinkomen-ideologen gaan te vaak aan deze realiteit voorbij. De sfeer van de zelf in te vullen tijd biedt voor het merendeel van de werklozen geen werkelijk alternatief voor maatschappelijke participatie en integratie.

In de jaren tachtig heeft de Nederlandse overheid - via de Algemene Bijstandswet - op massale schaal geëxperimenteerd met het verstrekken van een basisinkomen aan werkloze burgers. Dat levensechte experiment heeft weinig verheffende resultaten te zien gegeven. Met uitzondering van een kleine groep betekende dit basisinkomen voor velen niet zozeer het rijk van de vrijheid, maar vooral het rijk van moderne armoede en grenzeloze verveling.

Er bestaat naar mijn mening nog geen echt alternatief voor arbeid als bron van integratie. Dat betekent dat mensen niet te snel moeten worden afgeschreven voor de arbeidsmarkt, zoals in Nederland jarenlang systematisch is gebeurd. De Italiaanse schrijver Primo Levi formuleert het zo: “Afgezien van die enkele wonderlijke ogenblikken die het lot ons schenkt is houden van je werk (helaas een zeldzaam voorrecht) de beste concrete benadering van het geluk op aarde; maar dat is een waarheid die maar enkele mensen kennen. [..] Bij officiële ceremonies wordt het werk opgehemeld met een schijnheilige retoriek [..], maar er bestaat ook een retoriek in omgekeerde zin, niet cynisch maar stom, die het werk afschildert als iets verachtelijks, alsof we het zonder werk kunnen stellen, niet alleen in Utopia maar hier en nu; alsof iemand die zijn werk verstaat per definitie een slaaf zou zijn en alsof, omgekeerd, wie niet kan werken, of niet wil, of slecht werkt om die reden alleen een vrij mens zou zijn”.

Behalve de waarneming dat arbeid belangrijk is voor het sociaal functioneren van burgers, is er de simpele constatering dat arbeid niet onbelangrijk is om een zeker welvaartspeil te handhaven. De economische dreigingen uit nieuwe, opkomende industrielanden vragen om een weerbare samenleving en economie en niet direct om een te ontspannen basisinkomensmaatschappij.

Nu wordt tegen deze weinig originele constatering steeds vaker ingebracht dat een wereld zonder werkers in aantocht is. Arbeid mag dan integratiefactor nummer één zijn, er zijn simpelweg te weinig arbeidsplaatsen voor iedere werkwillende. Dat zou impliceren dat nieuwe sociale uitvindingen nodig zijn om mensen te integreren in de samenleving. Nu die sociale uitvinding, ondanks het vele werk van allerlei arbeidsfilosofen, nog altijd op zich laat wachten, is het van belang de betekenis van arbeid als integratiekader niet te veel te relativeren.

Daar is ook geen enkele reden toe indien arbeid in veel minder enge zin wordt gedefinieerd als thans wordt gedaan. De sfeer van arbeid omvat immers meer dan de hoogproduktieve arbeid die wordt verricht door een groep van goed opgeleide werknemers. Zo kunnen bijvoorbeeld, buiten het eigen huishoudelijke circuit, de volgende arbeidscircuits worden onderscheiden: het luxe arbeidscircuit van het vaste werk, het flexi-circuit van het tijdelijk werk, het Melkertcircuit van de additionele banen, het zwarte circuit van het informele werk, en tenslotte het circuit van het vrijwilligerswerk en de maatschappelijk nuttige activiteiten.

In al deze circuits wordt dag in dag uit en soms nacht in nacht uit 'echt' gewerkt en geld verdiend (met uitzondering van het vrijwilligerswerk). De uitdaging ligt er vooral in de additionele en informele circuits meer te betrekken bij de reguliere arbeidsmarkt. Om twee redenen: enerzijds moet een te scherpe polarisering op de arbeidsmarkt worden voorkomen, anderzijds dient de hoeveelheid werk die buiten het reguliere arbeidscircuit wordt verricht veel beter te worden benut.

Nu lijken tussen al die circuits steeds steviger schotten te ontstaan, waardoor voor sommige groepen het perspectief ontstaat van het permanent verrichten van tijdelijke en slecht betaalde arbeid of het permanent moeten ontwikkelen van 'maatschappelijk nuttige activiteiten'. Daardoor kunnen gegettoïseerde arbeidsmarkten ontstaan die leiden tot segregatie in plaats van integratie. Het beleid zal er op gericht moeten zijn om een zekere doorstroming te laten plaatsvinden.

Om gegettoïseerde arbeidsmarkten te voorkomen is een cruciale rol weggelegd voor onderwijs- en scholingsprogramma's. De socioloog Esping-Andersen heeft in dit verband gepleit voor een herijking van het recht op educational citizenship. Wanneer een dergelijk permanent recht bestaat, hoeft het bestaan van flexibele, informele en additionele circuits met onzekere en vaak slecht betaalde banen minder een probleem te zijn. Ongeschoolden, jongeren, vrouwen en migranten verwerven daarin gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt en kunnen met behulp van onderwijs sociaal stijgen.

De huidige ontwikkelingen in het onderwijs gaan echter lijnrecht tegen deze gedachtengang in. Efficiëntie-overwegingen leiden tot zeer zuinige studieroutes, waarin elke onderwijsmisstap en -overstap financieel wordt afgestraft. En grote, anonieme scholengemeenschappen komen in de plaats van de echte, kleine onderwijsgemeenschap. Dit genereert drop-out-verschijnselen, leidt tot een onderbenutting van menselijk kapitaal en blokkeert sociale mobiliteit. Een dergelijk stelsel is niet in staat een hoofdrol te vervullen in het realiseren van sociale doorstroming en sociale mobiliteit.

Hoe belangrijk goed onderwijs is voor sociale mobiliteit wordt ontroerend verwoord in de roman De eerste man van Albert Camus. Daarin is een brief opgenomen die Camus, opgroeiend in een Algerijnse armoedecultuur, aan zijn onderwijzer van de lagere school schreef direct na de toekenning van de Nobelprijs voor de literatuur: “(...) toen ik het nieuws vernam was mijn eerste gedachte, na mijn moeder, voor u. Zonder u, zonder de liefdevolle hand die u heeft uitgestoken naar het arme jongetje dat ik was, zonder uw lessen en uw voorbeeld zou niets van dat alles zijn gebeurd.”

Deze persoonlijke ervaring vindt in Nederland ondersteuning in de resultaten van grootschalig onderzoek naar de betekenis van het Nederlandse onderwijsbeleid voor sociale mobiliteit en gelijke kansen. De huidige preoccupatie met 'overscholing' en 'verdringing' van lager door hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt, staat een vernieuwend onderwijsbeleid, dat vertrekt vanuit het basisonderwijs, in de weg.

Hierin ligt mijns inziens de meest vruchtbare beleidsoptie: een breed activerend arbeidsmarktbeleid gecombineerd met een brede, universele toegang tot goed onderwijs. Op het terrein van arbeid en sociale zekerheid zijn al de nodige initiatieven ontwikkeld, op het terrein van het onderwijs is dat veel minder het geval. Daar is de verstarring, die lange tijd kenmerkend was voor de sociale zekerheid en het arbeidsbestel, nog volop aanwezig.