Telefoon!

The Economist is misschien wel het meest serieuze, het modernste en betrouwbaarste weekblad ter wereld (en daarbij volstrekt onafhankelijk en een commercieel succes - dat mag ook wel eens in de krant). Als het een katern aan één onderwerp wijdt, is het vast en zeker belangrijk; als het een revolutie aankondigt, mag men zich op iets ingrijpends voorbereid houden.

Ter gelegenheid van de grote beurs, Telecom Geneva 1995 - van 3 tot 11 oktober - heeft het blad 17 doorwrochte pagina's gewijd aan de komende omwenteling in telecommunicatie. Het omslag belooft al veel: een schilderij in de stijl van Roy Lichtenstein, van een vrouw aan de telefoon die zegt of denkt of althans wier boodschap het is dat “plotseling afstand er niet meer toe deed”. Na alle einden, van de ideologie tot de geschiedenis en de nationale staat, wordt hier nu ook het einde van de monopolies in de telecommunicatie en daarmee dat van de afstand aangekondigd. Hoopvol is aan het einde van de laatste pagina de conclusie. De technologie kan in betrekkelijk korte tijd enorme veranderingen in de economie veroorzaken. Daarbij blijven dan de sociale veranderingen nog geruime tijd achter. Maar als de mensen aan de revolutie in de telecommunicatie gewend zijn geraakt, “zal een betere wereld het resultaat zijn”.

Als liefhebber zowel van moderne telecommunicatie als van utopieën heb ik het allemaal verslonden. Revolutionaire uitbreidingen van de technische mogelijkheden op het gebied van kabel en apparatuur zullen tegelijkertijd de verbindingen beter en simpeler maken en het aanbod verveelvoudigen waardoor de monopolies van de grote maatschappijen worden gebroken en de communicatie per telefoon (wat veel meer is dan het gewone telefoneren) oneindig veel goedkoper wordt. Dit is bij wijze van spreken het Luilekkerland dat ons binnen niet eens zoveel jaren te wachten staat - en het klinkt aannemelijk.

Als we het achteraf bekijken hebben de computer met modem en de fax eigenlijk al een revolutie teweeg gebracht, zij het in het bijzonder voor degenen die zich jaren met het oude gereedschap (toen dat nieuw was ook revolutionair) hebben moeten behelpen. Internationale netwerken zijn een regelrechte zegen; Internet voornamelijk nog een gebied dat aan het begin van zijn ontginning is. Hoe dan ook, dit en nog veel meer, het is er allemaal. Het heeft door technische vooruitgang de communicatie revolutionair veranderd, maar zoals bij iedere verbetering van het gereedschap is het de vraag of wat ermee wordt gemaakt, er inhoudelijk ook op vooruitgaat. Dat hangt af van degenen die ermee werken.

Het belangrijkste in de blijde boodschap van The Economist lijkt me dat het met het monopolie van de grote nationale ondernemingen in de telecommunicatie zal zijn gedaan. Vooral in internationale verbindingen houden die er hier en daar regelrechte roverstarieven op na. Voeg daarbij dat in de komende jaren miljoenen mensen een cellular-telefoon in hun zak zullen hebben (Nederland staat in de industriële wereld op bijna de onderste plaats), en men ziet de nieuwe samenleving voor zich - in de woorden van Al Gore, geciteerd door het weekblad: “Niet meer de kosten; alleen de tijdsverschillen zullen nog een barrière zijn om met elkaar in contact te blijven.” Daaruit blijkt dan terloops dat de Amerikaanse vice-president niemand uit zijn bed wil bellen.

Iedere utopie, dat merkt men achteraf, heeft haar uitverkorenen en haar paria's. Omstreeks 1910 zag een tekenaar die in de anonimiteit is verdwenen, een toekomst waarin iedereen zijn eigen vliegtuigje had. Nog in het midden van de jaren zestig droomde drs. J.M. den Uyl van een Nederland met voor ieder huis een autootje. Het is wel min of meer uitgekomen, zij het niet als utopie maar als onze bijdrage aan het broeikaseffect. Wat de nieuwe telerevolutie aangaat: bij spreken en schrijven hoort verstaanbaarheid en die vooronderstelt weer een overeenkomst in de aard van traditie, beschaving, geloof - alles waardoor mensen er een zekere prijs op stellen, tot dezelfde samenleving te horen.

Ik zou het onderwerp graag hebben vermeden, maar het is te dichtbij en te duidelijk. In het begin van de Joegoslavische oorlog heb ik me erover verbaasd dat mensen die naar dezelfde televisieprogramma's keken, in dezelfde bussen en treinen zaten, met elkaar konden telefoneren, er plotseling niet tegenop zagen elkaar en masse uit te moorden. Voetbal is een vorm van internationale communicatie. Ik herinner me oud-Ajacied Velibor Vasovic, als de kampioen van redelijkheid en beschaving, met zijn voorstel om de burgeroorlog in het stadion te concentreren.

Als The Economist voorspelt dat de revolutie in de telecommunicatie op handen is, zal dat een reden temeer zijn om ons best te doen met de tijd mee te gaan. Of we het willen of niet, de vooruitgang valt niet te stuiten. Maar deze revolutie komt niet alleen. Op hun manier bereiden de 'media-giganten' zich erop voor de barrières tegen het internationaal contact te slopen. Er zijn samenlevingen, nationale en godsdienstige, die daar helemaal geen prijs op stellen. Hun verweer ligt in het 'zoeken naar de nationale identiteit' of een vorm van fundamentalisme. Toen de Sovjet-Unie nog bestond en het communisme regeerde had Moskou geen telefoonboek. Dat was een vroege, primitieve manier van zelfverdediging tegen de grenzeloze communicatie in opmars. Deze revolutie volgens The Economist is gespeend van politiek, hoewel praktisch de hele mensheid erbij wordt betrokken. Dat zal al een rariteit in de geschiedenis zijn. De antirevolutionairen komen in de beschouwingen van het weekblad niet voor.

Hoe zal het straks degenen vergaan die - uit wat voor motieven dan ook - in het in communicatiewebben en netwerken gevangen Dorp Wereld aanspraak willen maken op het ouderwetse recht gewoon met rust te worden gelaten?

    • r H.J.A. Hofland