Schrijver Harold Pinter staat weer op Londens toneel

Harold Pinter, Engelands beroemdste toneelschrijver, vindt zichzelf geen groot acteur. Toch staat hij nu aan de vooravond van zijn 65ste verjaardag voor de vierde keer op het toneel.

The Hothouse door Harold Pinter met in de hoofdrol Harold Pinter. Regie: David Jones. Vanaf 3 oktober in het Comedy Theatre, Panton Street, London SW1, tel. 0044-171-3691731.

LONDEN, 4 OKT. Een rijzige man in driedelig tweedkostuum staart uit het raam van zijn werkkamer. Buiten sneeuwt het. Zijn dunne zwarte haren doen een aandoenlijke poging om zijn kale kruin te bedekken. Zijn handen ontmoeten elkaar achter zijn rug.

Pinter speelt Pinter. Aan de vooravond van zijn 65e verjaardag speelt de grootste eigentijdse Britse toneelschrijver Harold Pinter de hoofdrol in een stuk dat hij een half leven terug heeft geschreven. Eindigend zoals hij 44 jaar geleden zijn carrière is begonnen: als vertolker. Teruggrijpend op één van zijn oudste, minst vermaarde drama's. Zijn leven, zijn werk en al zijn favoriete thema's komen in deze produktie bijeen.

The Hothouse, de Broeikas, begint met een alarmerend lange stilte. Wat er op toneel gebeurt, ziet er heel vredig uit. Een directeur die uit het venster tuurt. Zijn assistent die in de archiefladen speurt. Over wat zich afspeelt achter die grijze, bureaucratische façade, daarover handelt het stuk.

Wat zijn dat voor zuchten en kreunen die zelfs door de dikke muren van het directeurskantoor dringen? Wat is dit voor een instituut dat onder toezicht van het ministerie staat? Een rusthuis waar afgetobde patiënten weer kracht en zelfvertrouwen vinden, zoals de directeur zichzelf graag wijsmaakt? Of een psychiatrische kliniek waar lastige burgers worden verkracht, gemarteld en vermoord, zoals de andere functionarissen suggereren, zijn assistent Gibbs voorop. De spanning van het eerste lange zwijgen neemt toe en blijft stijgen. Ze ontlaadt zich alleen maar tijdelijk op de vele hilarische momenten. Totdat het daarbuiten gaat dooien en de hitte binnen ondragelijk wordt.

Pinter schreef The Hothouse in een creatieve bloeiperiode. The Dumb Waiter had hij net voltooid. The Caretaker stond al in de steigers. Dat was in 1958, net in de periode dat The Birthday Party, zijn eerste avondvullende toneelstuk, genadeloos was afgekraakt. Misschien heeft de vijandige kritiek hem destijds aan het wankelen gebracht. In elk geval legde hij The Hothouse apart. Pas 22 jaar later beleefde het stuk zijn première.

Nu lijkt het alsof Pinter voor het vierde van zijn 28 toneelstukken een zwak heeft opgevat. Geen ander werk waarbij hij in zoveel hoedanigheden betrokken is geweest: als toneelregisseur, als tv-regisseur, en nu dus als acteur. Geen ander stuk ook waarnaar hij zo vaak heeft teruggegrepen.

Dat komt misschien doordat The Hothouse het meest politieke van zijn vroege werken is. Pinter heeft zich altijd fel verzet tegen de kunstmatige tweedeling tussen de ijlende en predikende Pinter die de critici hebben aangebracht in zijn oeuvre. De jonge Pinter vonden ze geniaal zolang ze hem niet konden volgen. Probleem met de oude Pinter is dat ze hem maar al te goed begrijpen. Vandaar de verzuchting die standaard herhaald wordt bij elke première: Pinter is verpolitiekt.

The Hothouse geeft Pinter de kans om te laten zien dat hij altijd al briljant én politiek is geweest. Ook in The Birtday Party, zegt hij, ook in The Dumb Waiter heeft hij zijn engagement laten blijken. Dat hij dat destijds heeft ontkend, was alleen omdat hij niet pretentieus of hoogmoedig wilde lijken. Maar hij heeft nou eenmaal altijd over macht en onderdrukking geschreven.

In The Hothouse speelt hij Boote, directeur van een instituut waar de terreur altijd op de loer ligt. Maar Boote weet van niks, wil ook niks weten, om maar niet verantwoordelijk te hoeven zijn. Zijn gezag ontleent hij aan zijn functie en hij verdedigt het met frases. Tegelijkertijd weet hij dat zijn ondergeschikten aan zijn stoelpoten knagen. Zoals de stafleden ook voortdurend bezig zijn elkaar te vloeren.

Soms breekt zijn strakgespannen masker van zorgzaamheid en zelfwaan bij het spel van intimidatie en manipulatie. Dan wordt de kampbeul zichtbaar. Als hij het provocerende personeelslid Lush in elkaar ramt. Of als hij de pasgeboren baby van een van de patiëntes wil lozen. “Ik zal dat kind niet missen. Zul jij het missen? Waarom zou de moeder het dan moeten missen?”

Pinter is het overtuigendst in de gewelddadige scènes. Ook zijn timing is goed. Dat mag worden verwacht worden van een schrijver die aan aanwijzigingen als 'stilte' en 'pauze' in zijn stukken altijd grote aandacht heeft besteed.

Minder goed gaan hem de monologen af waarmee hij moet ontroeren. Zijn stem vervlakt en zijn houding verslapt. Alsof hij niet zonder de strijd met een sparringpartner kan.

Zelf heeft Pinter zich nooit een groot toneelspeler gevonden. Zijn handicap, zegt hij, is dat hij door het grote publiek niet voldoende bemind wenst te worden. Waarom hij voor de vierde keer in vijfentwintig jaar dan toch weer in een van zijn eigen toneelstukken speelt? Om te laten zien dat hij nog leeft.

    • Dick Wittenberg