'Milieu-eis gaat verder dan voor natuur wenselijk is'

De mestplannen van het kabinet zorgen voor grote beroering bij de boeren. J. Kodde uit Arnemuiden is een van hen. De Zeeuw legt uit waarom zijn bedrijf geen lang leven meer beschoren is als de milieu-eisen doorgaan.

ARNEMUIDEN, 4 OKT. Hij liep met een spandoek mee in de grote demonstratie van boeren in Den Haag, vorige maand. In Hazerswoude had hij vorige week de leiding bij het provocatief uitrijden van mest. Een actie om een proefproces uit te lokken.

J. Kodde (55) is voorzitter van de vakgroep veehouderij van de Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (WLTO) en legt uit met welke problemen een bedrijf als bijvoorbeeld het zijne te maken krijgt als de milieu-eisen zo ver zullen gaan als de boeren vrezen.

Zijn boerderij ligt achter de dijk, even buiten Arnemuiden. Hij heeft een maatschap met zijn neef en boert op 95 hectare. Op 60 hectare wordt akkerbouw gepleegd, op 35 hectare graast melkvee. Ze hebben zestig koeien en zestig stuks jongvee, kalveren en pinken. “Dat is wel wat veel, dat jongvee, maar die hebben we om de dijken te kunnen benutten.”

De koeien zijn samen goed voor een quotum van 498 miljoen kilo melk. Op de akkers verbouwen zij aardappelen, suikerbieten, uien, wintertarwe, vlas, snijmaïs en winterbloemkool. Kodde ging de straat op, omdat hij vreest dat zijn bedrijf geen lang leven meer beschoren is als de ophanden zijnde milieu-eisen echt doorgaan.

“De aanleiding van de acties is ingegeven door de plannen die de ministers van milieu en landbouw hebben ontwikkeld. De uiteindelijke mestnota is nog niet openbaar, maar de agrarische sector was er in september in elk geval wel van overtuigd dat die plannen zeer ingrijpend zijn”, zegt Kodde.

De dreiging bestaat er vooral in dat het kabinet de zogeheten verliesnorm voor fosfaat wil brengen op 20 kilo per hectare, die van stikstof op 180 kilo. “Ons voorstel - van de federatie van land- en tuinbouworganisaties, LTO Nederland - is een criterium van 50 kilo voor fosfaat en 350 kilo voor stikstof. Als die normen lager komen te liggen, worden ik en vele collega's direct in ons bestaan bedreigd.”

Zowel fosfaat als stikstof komt als mest via het landbouwareaal in het grondwater terecht. Het kost drinkwaterbedrijven grote moeite die stoffen te verwijderen, reden waarom de minister van milieu scherpe eisen gaat stellen. “Dat begrijpen wij best. Vooral stikstof uit het grondwater halen is een hele dure grap, maar natuurlijk is niet alleen de landbouw de veroorzaker. Onderzoek heeft uitgewezen dat regenwater meer stikstof bevat dan drainwater uit te sloot. Grond waar geen stikstof uitkomt is dode grond. Ook pure natuurgebieden stoten stikstof uit”, zegt Kodde.

De eis die het kabinet aan de reductie van fosfaat en stikstof wil stellen, is gevat in een zogenoemde verliesnorm. “Dat is de hoeveelheid fosfaat en stikstof, die via mest op het land komt maar niet door het gewas wordt opgenomen en uiteindelijk in het grondwater komt. Het probleem komt er dus op neer dat de overheid de hoeveelheid mest die op het land komt wil terugdringen.”

Voor de varkenshouderij - meest grondloze bedrijven - ligt het gecompliceerder. Die zijn afhankelijk van de vraag of akkerbouwers hun mest willen afnemen, zo niet dan ontkomt men niet aan inkrimping van de varkensstapel. Een andere mogelijkheid om economisch verantwoord van de mest af te komen is er niet bij deze bedrijven die 'geen grond' hebben. Melkveehouders hebben wel (gras)land en daar ligt de problematiek anders. Kodde weet nagenoeg exact hoeveel van welke stof op zijn land terechtkomt, doordat hij een 'mineralenboekhouding' bijhoudt. “Zo'n boekhouding is nog niet verplicht. Dat wordt zij op afzienbare termijn wel - uitgegaan wordt van 1 januari 1998 - voor melkveehouders die meer dan tweeënhalf rund per hectare hebben. Van de boeren die rundvee houden zit 35 procent al boven die grens. De overige 65 procent zit daaronder, maar ik denk dat die niet lang daarna ook aan de beurt komt. Ik vind trouwens dat elke boer zo'n boekhouding moet bijhouden, puur uit managementsoverwegingen.

“Ik doe het al een paar jaar. De boekhouding houdt niets meer en minder in dan het registreren van de aan- en afvoer van mineralen op je land. Je hebt een post kunstmest. Daarvan weet je wat er op je land komt, want je weet hoeveel je koopt, gebruikt en je kent de ingrediënten. Je weet ook de omvang van je drijfmestwagen. Je hebt ook gegevens van het krachtvoer dat je aankoopt. Dat geldt ook voor het ruwvoer, zoals je eigen snijmaïs en, in ons geval, aangekochte bierbostel. Van dat alles is bekend hoeveel van die mineralen er in zit. Je kunt op grond daarvan vrij nauwkeurig uitrekenen hoeveel er op het land wordt aangevoerd.

“Aan de andere kant heb je dan de afvoer. In de eerste plaats gaat die via de melk en komt dus niet op het land terecht. Van die melk - ga eens uit van 7.500 kilo per koe per jaar - krijg je gegevens van de afnemer, in ons geval Campina Melkunie. Die rekent voor je uit hoeveel eiwit er inzit. Die aminozuren bestaan deels uit fosfaten en stikstoffen. Je weet dus hoeveel van de stoffen je bedrijf via de melk verlaat. Dat geldt ook voor het vlees van de koeien. Ook voor vlees heb je zo'n omrekeningsformule. Voor het overige heb je dan het gras of de maïs, die je eventueel verkoopt”, zegt Kodde.

“Het is dus eenvoudig: aanvoer min afvoer geeft het verlies. Het lijkt een heel gedoe, maar als je eenmaal een programmaatje hebt is het eenvoudig bij te houden. De meeste gegevens heb je al ter beschikking via je gewone fiscale nota's. Daarop laat je die omrekeningsformules los en je hebt je gegevens. Een paar dingen, zoals de hoeveelheid mest in je drijfmestwagen, moet je zelf in de gaten houden. Er zijn aardig wat boeren die in studieclubs methoden hebben ontwikkeld om zo'n boekhouding adequaat bij te houden, daarbij geholpen door de landbouwvoorlichtingsdiensten van het departement. Maar feit is dat boeren in het algemeen niet van al te veel administratie en registratie houden. Hun werk zit in hun vingers en dat zetten ze liever niet op papier. Ook in dat opzicht is er veel weerzin.

“Al met al komen we op dit bedrijf uit op een verlies van 55 tot 60 kilo fosfaat per jaar per hectare. Een norm van 50 kilo acht ik dus goed haalbaar, 20 kilo is uitgesloten. Bij stikstof is een norm van 180 kilo al geen haalbare optie. Dat is absoluut te drastisch.

“Het enige wat dan rest is een groot aantal koeien weg te doen. In de eerste plaats kun je je melkquotum dan niet verkopen, want als die normen zo scherp worden gesteld zit iedereen met hetzelfde probleem en heeft niemand belangstelling voor zo'n quotum. Dat is dus gewoon kapitaalsvernietiging, want wij hebben onlangs nog een quotum van 85.000 kilo bijgekocht. Belangrijker is dat de kosten van je bedrijf gigantisch hoog worden. Stel dat je terug moet naar plusminus één koe per hectare, dan rendeert zo'n hectare niet meer. Je kunt niet meer opwerken tegen pacht of lening bij de bank, je lijdt verlies en dat kun je je niet lang permitteren.

“Je zou kunnen zeggen dat je een oplossing kiest door de mest dan in grotere mate te bestemmen voor je akkerbouwareaal. Maar daar zit ons probleem. Je kunt wel een hele lage verliesnorm voor grasland gaan hanteren, maar het gras vraagt er om. Met een norm van 20 kilo krijg je geel, droog gras met een veel geringere voedingswarde voor de koeien. 't Is minder smakelijk, minder vers ook. Het is dus niet alleen een onwenselijk lage norm, het is ook slecht voor je grasland. In strikt biologische zin geredeneerd is de verliesnorm van het kabinet dus veel lager dan voor de natuur wenselijk is.”

Een nieuwe vorm van actie wordt nu het 'sjoemelen' met bonnen. Kodde kan zijn mest op zijn eigen land kwijt, maar boeren die het moeten afvoeren moeten hun gegevens invullen op bonnen, die vervolgens bij de mestbanken worden ingeleverd. “Ik weet niet precies hoe dat gaat, maar als die bonnen niet of verkeerd worden ingevuld, raakt de overheid wel alle zicht op de meststroom kwijt.”

Kodde is het wel van harte eens met zijn collega's die actievoeren, al kan hij niet achter elke vorm van protest staan. “Dat uitrijden vorige week in Hazerswoude was een provocatie om een proefproces uit te lokken. Wij willen wel eens weten wat de rechter hier allemaal van vindt. Want het lijkt er op of wij het hele begrip 'milieu' aan onze laars lappen. Niets is minder waar. We hebben al verschrikkelijk veel gedaan. Om eens wat te noemen: de totale netto jaarlijks milieulasten voor de landbouw bedroegen in 1985 ongeveer 23 miljoen gulden. In 1994 was dat bedrag opgelopen tot 606 miljoen gulden. Dat zijn niet mijn cijfers, maar ik hoorde ze van de minister, vorige week in Lelystad.”