Het tweede gebod geldt niet in het theater

“Door heftig te liegen proberen wij, theatermensen, de waarheid te doorgronden”, zegt de Duitse regisseur Peter Stein. Vanavond beleeft de door hem geënsceneerde opera Moses und Aron zijn wereldpremière in het Amsterdamse Muziektheater.

Moses und Aron is op 4, 7, 9, 12, 17, 20, 23 en 28 oktober te zien in het Muziektheater te Amsterdam.

Hij verheugt zich op een kitscherige scène: de Dans om het Gouden Kalf. “Dat wordt een mengsel van Cinecittà en Hollywood”, zegt regisseur Peter Stein, die zelf uit Berlijn komt. De Nederlandse Opera heeft hem naar Amsterdam gehaald om samen met dirigent Pierre Boulez een zelden gespeelde muziektheaterproduktie te realiseren: Moses und Aron van Arnold Schönberg.

Mozes, en dat verklaart misschien de geringe populariteit van Schönbergs opera, is geen figuur met wie je je gemakkelijk vereenzelvigt. Van God krijgt hij de opdracht het volk Israëls naar het Beloofde Land te brengen; hij staat dus in een directe verbinding met het Opperwezen en dat is voor sceptici moeilijk te begrijpen. Wie zegt ons dat hij de Here echt gesproken heeft? Moeten we hem zomaar geloven? We willen bewijzen, niets dan bewijzen! Wat dat betreft lijken wij op het volk Israëls: dat schreeuwt, zowel in het Oude Testament en als in de opera, ook steeds om tastbare bewijzen van Gods almacht. Vooruit dan maar, denkt Mozes' broer Aäron. Hij zamelt alle gouden oorbellen in, maakt er een kalf van en zet er een altaar voor. Het volk is tevreden gesteld: aan God wil het zich niet onderwerpen maar wel aan een fonkelend beeld van Hem.

Om aan te dikken hoe laagbijdegronds die afgoderij is, voegt Schönberg, die zelf het libretto van zijn opera schreef, aan het oudtestamentarische Gouden-Kalf-verhaal allerlei bijzonderheden toe, zoals bloederige offeranden in de vorm van dieren en maagden, slemppartijen, orgiën en extatische zelfdodingen. De ervaren Peter Stein weet dat dergelijke kleurige massascènes de massa meer aanspreken dan de vele taferelen waarin de vergeestelijkte en ietwat kleurloze Mozes centraal staat. Hij is van plan om heel zijn theatrale trukendoos te plunderen zodra het Gouden Kalf in beeld verschijnt. Andere wonderbaarlijke momenten wil hij eveneens zo echt mogelijk doen lijken. Het braambos zal knetterend branden, een staf zal in een slang veranderen, water in bloed en omgekeerd. Zulke trucs maken het theater tot wat het is, vindt de 60-jarige regisseur.

“Door heftig te liegen proberen wij in het theater de waarheid van het bestaan te doorgronden. En daarom is het thema van Moses und Aron tegelijkertijd een grondthema van het theater. 'Gij zult geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van wat boven in de hemel is ...', zo luidt het Tweede Gebod. Mozes houdt zich daar strikt aan. Hij wil niet liegen, hij wil zijn geloof niet bezoedelen met vervalsende beelden. Maar zonder beelden kom je nergens. Probeer maar eens één mededeling te doen zonder metaforen te gebruiken. Onmogelijk! Dat is meteen het probleem: je hoeft je mond maar open te doen en je gedachten trekken al krom. Mozes, de zuiverheidsfanaat, kan met het volk niet communiceren. Aäron wel, dat is een pragmaticus, hij overtreedt dan ook voortdurend het tweede gebod. Net als wij theatermensen. Ook wij maken van gedachten ononderbroken een beeld.”

Net-echt-effecten verlenen het theater zijn charme, maar te veel realisme is dodelijk: “Wanneer je op het podium álles wilt uitbeelden, tot en met het laatste detail, beroof je de dingen van hun zeggingskracht. De oude Grieken, die het theater hebben uitgevonden, schrokken ervoor terug om dingen expliciet te laten zien. Moorden vonden achter de bühne plaats; òp de bühne werd er alleen over gesproken. Daardoor kon het publiek zich zelf een voorstelling van het afgrijzen maken. Sinds Shakespeare laat men het afgrijzen direct op het podium zien, er worden handen afgehakt, schedels doormidden gekliefd, en dat alles zo realistisch mogelijk.”

Omdat we eraan gewend geraakt zijn doorlopend naar gruwelen te kijken, zegt Peter Stein, kunnen nog maar amper een onderscheid maken tussen fictieve en documentaire beelden. “Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. De paradox van het theater is dat het zijn pogingen om alles te laten zien tot in het absurde doorvoert. Dan kun je als regisseur alleen maar blij zijn wanneer je een zeker evenwicht vindt: aan de ene kant niet helemaal onthullen wat je wilt vertellen, aan de andere kant zoveel prikkels geven dat de toeschouwer zich bij het verhaal betrokken voelt.”

Saai of abstract vindt hij de ideeën-opera Moses und Aron geenszins. ..Oorspronkelijk wilde Schönberg een oratorium over die twee bijbelse heren maken, maar het oratorium is op een gegeven moment uit elkaar gespat omdat de stof veel te dramatisch was. De tegenstelling tussen Mozes en Aäron gaat diep en is heel herkenbaar. Eigenlijk vind ik hun conflict vrij alledaags: het gaat over religie en realisme, over de theorie en de praktijk, over de onvervalstheid van een idee en de noodzaak compromissen te sluiten die alleen maar leiden tot het tegendeel van dat wat men eigenlijk wil.''

Schönberg schreef en componeerde zijn onvoltooid gebleven opera tussen 1922 en 1932. Hij moet de dreiging van de holocaust al hebben voorvoeld en zich als tegengif tegen het voortwoekerende antisemitisme fanatiek op de zionistische gedachte hebben geworpen. Leg je Schönbergs biografie naast de opera, dan ligt het voor de hand om in een enscenering naar de holocaust te verwijzen. Maar Stein wijst een dergelijke interpretatie faliekant af. “Aan de jaren dertig in Duitsland mag u beslist niet denken! Daar werd de staat Israël toch niet gesticht! De idee van de Wiedergewinnung jüdischen Landes hield Schönberg inderdaad nogal bezig, maar het zionisme en dat wat Schönberg vertelt zijn twee verschillende dingen. Schönberg vond dat een volk alleen uitverkoren is wanneer het anders is dan andere volken, spiritueler bijvoorbeeld.”

Op de vraag oh hij gelovig is, antwoordt Peter Stein. “Het hangt ervan af wat je daaronder verstaat”, antwoordt hij diplomatiek. “Ik ben protestants opgevoed, heel streng, maar ik was een te cleveres Bürschen om lang in die protestantse god te blijven geloven. Star één geloof aanhangen is voor een theaterman sowieso niet mogelijk. Ik moet tegelijkertijd de duivel en de lieve Heer kunnen zijn, ik moet nu eens boeddhist zijn en dan weer een animist of een moslim, ik moet me in alles en iedereen kunnen verplaatsen. En daarom ben ik eerder een aap dan een serieus te nemen gelovige mens.”

    • Anneriek de Jong