Griekenland maakt zich zorgen na aanslag Macedonië

ATHENE, 4 OKT. De moordaanslag op president Gligorov van Macedonië heeft in Griekenland beroering en ongerustheid veroorzaakt. “Een aanslag op de Balkan is nu eenmaal dubbel zo gevaarlijk als een aanslag elders,” zei een televisiecommentator. Vrijwel alle politieke kopstukken spraken hun afschuw uit, en Griekenland was een van de landen van waaruit medici afreisden om de gewonde president bij te staan.

Dit alles zou zo'n twee, drie jaar geleden nog onwezenlijk hebben geklonken. De betrekkingen met Skopje waren toen zo gespannen dat het vooruitzicht van destabilisatie in de nabuurstaat vele Grieken moet hebben aangesproken. Het ontbrak zelfs niet aan pleitbezorgers van de stelling dat de staat met de verwenste naam Macedonië maar beter tussen Servië en Griekenland zou kunnen worden verdeeld.

Zulke geluiden hoort men nu alleen nog van extremistische zijde in Griekenland. Ook al voor de sluiting van het voorlopige akkoord vorige maand in New York was realisme komen boven drijven in de wijze waarop de meeste Grieken over de nabuurstaat dachten. De uitroeping van het handelsembargo op 16 februari in 1994 vormde eigenlijk de laatste opflikkering van de zienswijze dat Skopje voor alles schade diende te worden toegebracht.

Schade kwam er, maar dat het embargo zijn doel voorbij schoot werd gaandeweg door de meeste Grieken ingezien en erkend. De regering-Papandreou stelt het nu voor als een diplomatieke zet, te vergelijken met de invoering door Gligorov van de vlag met het Griekse zonnesymbool. In New York zijn deze twee hatelijheden gelijktijdig uitgewist, als een wederzijds offer op het schaakbord. In de daarop volgende kruitdamp komt de vraag boven: wie heeft er verloren? Maar het kan natuurlijk ook zijn - anders dan bij het schaken - dat beide partijen erop vooruit zijn gegaan. Op de dag van de moordaanslag zijn in Athene de besprekingen op expertniveau over de technische toepassing van het akkoord begonnen en ze zullen de komende dagen gewoon doorgaan.

De rechtse oppositie in Griekenland, met voorop de scherpslijper Samarás, stelt dat Griekenland in New York al zijn troeven heeft verspeeld. Tegelijk met de afschaffing van het embargo op 14 oktober wordt namelijk overgegaan tot erkenning van de nabuurstaat, met wederzijdse bureaus in de hoofdsteden. Dat daarbij de kwestie van de naam op de langere baan wordt geschoven kan er alleen maar toe leiden dat de naam Macedonië overal ingang vindt behalve in Athene, aldus oppositieleider Evert die intussen de staatkundig dubieuze verzekering heeft gegeven dat hij, eenmaal aan de macht, het verdrag van New York niet zal erkennen en nieuwe onderhandelingen zal beginnen.

Van de zijde van de oppositie maar ook door enkele ultra-nationalisten binnen de regerende PASOK alsmede de Kerk wordt gespeeld met de gedachte, een nieuwe demonstratie te beleggen in Thessaloniki, naar het voorbeeld van twee vorige waaraan de deelname het miljoen overtrof. De burgemeester van de stad is er helemaal klaar voor. Maar het is de vraag of zij ditmaal dezelfde weerklank zal hebben. Men is wat moe geworden, en wat nog belangrijker is: juist in het noorden heerst onder bepaalde gelederen grote opluchting dat de banden met de nabuurstaat worden hervat. Voor de haven van Thessaloniki is dat zonder meer gunstig. En waren Griekse exporteurs die door het embargo hebben moeten sluiten en ook agrarische belangen werden aangetast. Reeds heeft de Kamer van Koophandel van Noord-Griekenland een deputatie naar Skopje gestuurd.

De aanslag in Skopje verzwakt het betoog van de Griekse oppositie dat “de verraders in Athene alles hebben weggegeven”. Aan de dag treedt nu dat, aan de vooravond van de invoering van de nieuwe vlag, ook in de nabuurstaat de beschuldiging van “verraad” opklinkt, misschien nog wel heviger dan in Griekenland. Als Gligorov, die hier nu als 'gematigd' wordt erkend, wordt uitgeschakeld kan dit de hele zaak weer terugschroeven. Maar paradoxaal genoeg zou de aanslag ook kunnen leiden tot verdere toenadering tussen Athene en Skopje.