Compilaties van filmschatten uit het archief

Cinema Perdu, de eerste dertig jaar van de film 1895-1925. Samenstelling: Peter Delpeut. De eerst komende veertig zondagen 21u10-21u22, Ned. 3.

Mijn beide in 1898 geboren grootmoeders leven niet meer, dus ga ik er maar vanuit dat van het groepje mensen dat in datzelfde jaar in Scheveningen voor de camera poseerde niemand het na kan vertellen. Wie kan nog getuigen hoe de Amsterdamse Prinsengracht er in 1898 uit zag? Vergeleken met foto's of gravures roept film een mate van authenticiteit op, die bijna doet vergeten dat wat ik pas zag niet meer bestaat. Het is verloren in de zin van Prousts A la recherche du temps perdu, maar oproepbaar door 'madeleines' van nitraat. Ontroering, verbazing en zelfs een merkwaardig soort extase veroorzaakt het kijken naar de serie Cinema Perdu, die de voormalige conservator van het Nederlands Filmmuseum Peter Delpeut samenstelde uit geconserveerde, tot de eigen collectie behorende oude filmschatten.

De veertig compilaties van elk tussen de acht en twaalf minuten worden op veertig achtereenvolgende zondagavonden uitgezonden door de VPRO. Ze zijn te rubriceren als twintig documentaires, tien fictiefilms en tien curiosa, maar het onderscheid is soms moeilijk te maken. Delpeut beschouwt ze als 'veertig reclamespots voor het Filmmuseum'. Vooral de vrijzinnige opvattingen over omgang met cinematografisch erfgoed, die sinds het aantreden van directeur Hoos Blotkamp in het Filmmuseum opgang doen, worden door Cinema Perdu uitstekend geïllustreerd.

Daarin past bij voorbeeld geen dogmatische houding ten aanzien van 'originele versies'. Natuurlijk moet je streven naar een reconstructie van de manier waarop de films destijds gepresenteerd werden, maar uit de fragmentarische restanten valt vaak geen eenduidige 'oerversie' te destilleren. Montage en inkorting zijn dus toegestaan, en Menno Boerema heeft uiterst zorgvuldig het materiaal toegesneden op het vereiste formaat. Ook het dogma dat projectie altijd beter is dan televisievertoning heeft niet het besluit in de weg gestaan om dit fantastische materiaal voor een breed publiek toegankelijk te maken.

Een veel ernstiger verminking vormde de lang gebruikelijke praktijk om stomme films op een te hoge snelheid af te draaien. De koddige Comedy Capers en door luidruchtig-geestige muziek begeleide andere compilaties, die van a-historische superioriteit jegens die knotsgekke kerels in hun vliegende kratten getuigden, hebben lang een zuiver zicht op het filmverleden belemmerd. Wie nu het oudste filmmateriaal eindelijk terugziet in zijn oorspronkelijke glorie en verstilling, kan alleen maar onder de indruk komen van het onbekende verleden. De muziekkeuze, onder supervisie van Stefan Ram, bestrijkt een breed scala van benaderingen, maar is altijd respectvol en geraffineerd. Ook stilte kan effect sorteren, bij voorbeeld als symbolisch zwijgen bij 'ongeïdentificeerd filmmateriaal' uit het Verre Oosten, of op het moment dat zeehondenjagers op de banken van New Foundland aan het knuppelen slaan. Een boogie-woogie op vibrafoon is de perfecte begeleiding van een tocht door de Gorges de l'Ardèche, die nog een andere verrassing bevat: wonderlijke kleuren. Een andere wijdverbreide misvatting, namelijk dat alle stomme films in zwart-wit waren, wordt overtuigend weerlegd door de vele soorten monochrome 'tinting', maar ook schitterend met de hand ingekleurde beelden (een Parijse modeshow uit 1923) en een enkele 'full-colour'-film.

Delpeut voert ons mee naar een Duitse munitiefabriek tijdens de Eerste Wereldoorlog, een opiumkit in Batavia, de Elfstedentocht van 1917, laat ons meereizen met graaf Tolstoj van zijn landgoed naar Moskou, reconstrueert 'een huwelijk bij de roodhuiden', zweeft over een houten spoorbrug hoog boven Hawaii en laat Maurice Chevalier boksen met wereldkampioen 'pluimgewicht' Crique. We worden deelgenoot van de verwondering, die de kijkers van voor 1925 moet hebben bevangen dat het nieuwe medium de wereld zo dichtbij kon brengen.

In de collectie van het Nederlands Filmmuseum ligt de nadruk, zeker voor wat de oudste films betreft, op documentaires. Het is grappig en zeker niet toevallig dat ook in het beheren en distribueren van films zich dezelfde eenzijdige kracht aftekent als in de Nederlandse filmproduktie tot op heden. De speelfilmpjes wekken minder ontroering dan de documentaires, ook omdat het besef dat dit ooit echt bestaan heeft dan minder kans krijgt.

Toch zijn ook in dat genre grote ontdekkingen te doen. Misschien de allermooiste fictiefilm is een Franse zogenaamde 'fee-ëriek' uit 1908, getiteld Vision d'art, waarin een dame schijnbaar los zwevend door de ruimte salto's ten beste geeft. Niet toevallig zijn die beelden dan ook gekozen voor de 'leader', de aankondiging, die het komende seizoen fijnproevers veertig keer naar het puntje van hun stoel zal jagen.

De meest spectaculaire aflevering wordt als eerste uitgezonden a.s. zondag. Kijkjes in de vorige eeuw bevat unieke, op het slechts kort gangbare 68mm-materiaal gedraaide beelden uit de periode 1896-1899: Vlaggetjesdag, het uitgaan van de Cinematograaf-voorstelling in Carré, monniken op weg naar de Sixtijnse kapel, de Prinsengracht ter hoogte van de Egelantiersgracht, boordevol grote vrachtschepen. En dat ene, nooit meer te vergeten beeld, van paus Leo XIII in zijn draagstoel, die even stilhoudt om de camera te zegenen.