CDA-plan past op zich in gedachte van gelijke behandeling; Maatregelen in de AOW moeten nù genomen worden

De problemen in de AOW in verband met de vergrijzing hebben de laatste weken weer veel aandacht gekregen. Of misschien moet worden gezegd: mogelijke problemen, want eerst was daar staatssecretaris Linschoten die ontkende dat er een probleem was. De economische groei zal volgens hem toereikend zijn om de vergrijzingsgolf op te vangen. Daarna kwam de FNV met het al oude idee om een schommelfonds, een soort extra spaarpot, in te stellen, waaruit de AOW straks kan worden gefinancierd. Ten slotte lekte het plan van het CDA uit om de AOW voor alleenstaanden te verlagen van 70 naar 50 procent. Op dit plan is door de andere partijen afwijzend gereageerd. Wat valt er nu eigenlijk te verwachten ten aanzien van de AOW.

De eerste vraag is dan: is er een probleem? Door te ontkennen dat er een probleem is, lijkt Linschoten zijn hoofd in het zand te steken voor de realiteit. Het staat vast dat er een enorme toename van het aantal AOW'ers zal zijn. Vooral in het jaar 2010 is de vergrijzingsgolf op zijn top. Het aantal AOW-uitkeringen en dus de AOW-lasten zullen dan ook flink toenemen. Diverse studies tonen aan dat, zo niet draconische, dan toch in ieder geval ingrijpende maatregelen in de AOW onontkoombaar zijn.

Dit beeld stijgt op uit bijvoorbeeld een studie van Commissie-Drees en van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Voorts tonen onderzoeken van de Wereldbank en de OESO aan dat de vergrijzing wereldwijd voor grote financieringsproblemen in de oudedagsvoorzieningen zal leiden. Dat er iets gedaan moet worden, staat dan ook gewoon vast. Maar zelfs als in het jaar 2010 en volgende jaren zou blijken dat het allemaal wel meevalt, dan nog is het noodzakelijk om nu iets te doen.

In redelijkheid kan in verband met de rechtszekerheid niet worden gewacht met ingrijpen tot het moment dat het kalf aan het verdrinken is. Mensen moet een behoorlijke tijd worden gegund om zich wat betreft hun inkomensvoorziening in te stellen op wijzigingen in de AOW. Het is onmogelijk om in 2010 van het ene op het andere moment door te voeren dat de AOW met 20 procent wordt verlaagd. In zoverre is het besluit van het kabinet om de AOW-toeslag, voor gepensioneerden met een partner die nog geen 65 is, af te schaffen zorgvuldig genomen, want dit reeds nu aangekondigde besluit, zal in 2015 ingaan.

Wat zou nu een verstandig besluit zijn voor de AOW? Dat is niet zo eenvoudig, mede omdat de ontkenning van een probleem de besluitvorming vertroebelt en bovendien de effecten van een besluit pas op termijn zichtbaar zijn. De mogelijke varianten zijn inmiddels echter wel duidelijk. Het schommelfonds van het FNV is een optie. Dat zou leiden tot het invoeren van een extra premie, om daarmee een spaarpot te vormen om de toekomstige financieringsproblemen in de AOW op te vangen. Het schommelfonds is in zoverre makkelijk, dat mochten de gespaarde gelden niet voor de AOW nodig zijn, een andere besteding eenvoudig zal zijn in te vullen. Het nadeel van deze maatregel is, dat dit de loonkosten voor het bedrijfsleven zal vergroten. Het economisch tij lijkt daar mede gelet op de internationaal zo belangrijke concurrentiepositie niet rijp voor te zijn.

Een ander voorstel is verhoging van de pensioenleeftijd voor de AOW naar 66 of 67 jaar. Het aantrekkelijke hiervan is, dat deze maatregel op dit moment geen extra lasten meebrengt. Omdat mensen gemiddeld langer leven en bovendien op latere leeftijd vaak gezonder zijn dan vroeger, is er voor de pensioenleeftijdsverhoging wel wat te zeggen. Diverse andere landen zijn hiertoe ook overgegaan, bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Een verhoging van de leeftijd zou ook aansluiten bij het beleid om oudere werknemers zo lang mogelijk actief te houden in het arbeidsproces, want het gedwongen einde van de arbeidsovereenkomst op 65 jaar zal dan ook wel van de baan zijn. Hiertegenover staat dat er altijd groepen werknemers zijn, die fysiek niet tot 66 of 67 jaar kunnen werken. Ook de mogelijkheid van vervroegde pensionering voor degenen die dat willen, zal moeilijker, want kostbaarder worden omdat de periode die tot de AOW-ingang overbrugd moet worden langer wordt.

Een derde voorstel is het verbreden van het premiebetalingsdraagvlak voor de AOW, door AOW'ers in de toekomst ook premie voor de AOW te laten betalen. Nu betalen 65-plussers geen AOW-premie en dat spoort met de verzekeringsgedachte van de AOW: als de uitkering uit de verzekering is ingegaan, zou men geen premie meer hoeven te betalen. Er zijn niettemin goede argumenten voor deze draagvlakverbreding. Hierbij moet men zich dan realiseren dat de premieheffing feitelijk betekent dat alleen degenen die naast de AOW aanvullend pensioen hebben de premie werkelijk dragen. Dit komt doordat de netto AOW een gegarandeerd bedrag is en niet lager wordt door invoering van een extra premie. Voor het aanvullend pensioen geldt dat de daarvoor op zij gelegde premie aftrekbaar is van het inkomen, zodat daarover tijdens de actieve periode geen AOW-premie wordt geheven. Het zou dan niet onredelijk zijn het aanvullend pensioen zelf wel bij te laten dragen in de AOW-financiering.

En het CDA heeft dus een vierde voorstel, het verlagen van de AOW voor alleenstaande van 70 naar 50 procent van het minimumloon, waardoor deze uitkering op hetzelfde niveau zou komen te liggen als de individuele uitkering binnen een gezin. Binnen een gezin is het echter wel zo dat beide partners dat AOW-pensioen van 50 procent ontvangen en derhalve een gezamenlijke AOW van 100 procent van het minimumloon.

Het CDA-plan past op zich helemaal in de gedachten van gelijke behandeling en geïndividualiseerde uitkeringen, maar heeft wel tot gevolg dat alleenstaanden die alleen op de AOW zijn aangewezen, onder het minimumuitkeringsniveau dalen. Aanvullende uitkeringen, toeslagen of de bijstand zullen dan weer voor reparatie moeten zorgen. Een argument voor het CDA-plan volgt uit de verhouding ten opzichte van het aanvullende pensioen. Aanvullende pensioenregelingen houden rekening met de AOW. Veelal biedt het aanvullend pensioen een uitkering van 70 procent van het laatste loon inclusief de AOW. De AOW kent verschillende uitkeringen voor gezinnen en voor alleenstaanden. Als de aanvullende pensioenregeling nu aan alle werknemers een totaalpensioen (aanvullend plus AOW) van 70 procent wil bieden, zal het aanvullend pensioen ook onderscheid moeten maken tussen gezinnen en alleenstaanden.

Voor een alleenstaande is het aanvullend pensioen dan hoger, zodat de lagere AOW wordt gecompenseerd. Een dergelijk onderscheid komt in aanvullende pensioenregelingen echter steeds minder voor. Steeds meer wordt dit als ongelijke beloning van werknemers gezien. Op zich is het volgens de gelijke behandelingswetgeving nog wel toegestaan om in aanvullende pensioenregelingen onderscheid te maken wegens burgerlijke staat, maar vanaf 2000 zal dat verboden worden. Vanaf dat moment mag in aanvullende pensioenregelingen dus geen onderscheid meer worden gemaakt en moet het aanvullend pensioen voor gezinnen en alleenstaanden gelijk zijn.

Als de AOW daarentegen nog wel onderscheid blijft maken, zal dit ten eerste betekenen dat het totale pensioen voor werknemers afhankelijk van de leefsituatie gaat verschillen. Ten tweede zou het inconsistent zijn als de overheid het verbiedt om in aanvullende pensioenregelingen onderscheid te maken naar leefsituatie, maar dat in de eigen AOW wel blijft doen, hoewel het minimuminkomenskarakter van de AOW dit wel zal toelaten. Het CDA-plan zou denk ik al met al toch een betere ontvangst verdiend hebben.