Britse bonden geen schim meer van weleer

LONDEN, 4 OKT. Nog drie keer in de week loopt George Robinson binnen bij de vakbond, waarvan hij meer dan twintig jaar de lokale penningmeester is geweest. Geen plicht die hem dwingt en geen belang dat zijn bezoek rechtvaardigt. “Ik ben zo'n misdadiger die altijd naar de plek van zijn misdaad terugkeert”, zegt Robinson met zelfspot. Maar wat is dan zijn misdaad? Dat hij zijn hele leven als lid van de mijnwerkersvakbond tegen het kapitaal heeft gevochten? Of dat hij die slag zo verpletterend verloren heeft?

Het hoofdkwartier van de National Union of Mineworkers (NUM) in het Noordengelse Durham lijkt wel een uitdragerij van vakbondsrelikwieën. Verkleurde vaandels en banieren aan de muren. Vergeelde posters aan de borden. Op een kast in brons een gegroefde mijnwerkerskop die het socialistisch paradijs net aanschouwd heeft. In die entourage haalt Robinson met zijn gepensioneerde kameraden de verhalen op van vroeger. Toen er nog solidariteit en klassestrijd bestond.

Er was een tijd, niet eens zo lang geleden, dat de Britse vakbonden het regeringsbeleid dicteerden, dat ze kabinetten ten val konden brengen. Eén beweging van hun handen en het gansche raderwerk stond stil. Maar zestien jaar Conservatieve regering heeft de Britse bonden naar de zijlijn verdreven. En geen organisaties die dieper zonken dan de mijnwerkersvakbond. Elf jaar geleden had de NUM nog 372.000 leden. Maar dat was voor de grote mijnstaking die tot een historische nederlaag leidde. Dat was voor de mijnindustrie tot op het bot gesaneerd werd. Intussen heeft de eens zo machtige vakbond minder leden dan de bond van muzikanten: tussen de 5.000 en 10.000, afhankelijk van de bron die wordt gekozen. De afdeling Durham telt alleen nog werkloze en gepensioneerde leden. In heel Noordoost-Engeland is geen mijn meer in bedrijf.

De neergang die de Britse mijnen decimeerde, trof ook de andere traditionele bedrijfssectoren. De scheepsbouw, de staalindustrie, de autofabrikanten, allemaal belandden ze op het hakblok van de technische vernieuwing. En met hen bloedden ook de vakorganisaties die van oudsher juist in deze bedrijfstakken zo sterk vertegenwoordigd waren.

“Het leek wel of de vakbeweging in de jaren tachtig van alle kanten werd belaagd”, zegt John Healey, bestuurder van de Trade Unions Congress (TUC), de overkoepelende werknemersorganisatie. “Alle economische, technologische en politieke ontwikkelingen waren in het nadeel van de vakorganisaties.” Waar de organisatiegraad het hoogst was - in de industrie, in de grote bedrijven - verdwenen alleen maar banen. Nieuwe arbeidsplaatsen ontstonden vooral in de dienstverlening en in de kleine bedrijven, vrijplaatsen waar de vakbeweging nauwelijks voet aan de grond kreeg. Tegelijkertijd werd die andere peiler van de vakbeweging - de publieke sector - stelselmatig geprivatiseerd en gesaneerd.

Die ontwikkeling was niet uniek voor Groot-Brittannië. Met die “natuurlijke loop van de historie” was volgens Healey best nog te leven geweest. Maar die val kwam extra hard aan omdat hij door de regering nog versterkt werd. De 'Winter van de Onvrede' had het keerpunt betekend. Nog één keer had de vakbeweging haar kracht gedemonstreerd door eenvijfde van de Britse bedrijven in een staking te storten. Daarna was in 1979 Margaret Thatcher aan het bewind gekomen. Het breken van de macht van de bonden verhief zij tot één van de hoekstenen van het regeringsbeleid.

Vier achtereenvolgende Conservatieve regeringen hebben de afgelopen zestien jaar in totaal zeven wetten geïntroduceerd om de invloed van de bonden te beperken. Niet alleen kwam een einde aan het vermaarde close shop-systeem, waarbij alle werknemers in een bepaalde bedrijfstak verplicht lid van een vakbond waren. Bonden moeten tegenwoordig ook aan een groot aantal voorwaarden voldoen voordat ze in actie mogen komen. Bedrijven hebben de volste vrijheid om bondsleden lager te belonen dan niet-georganiseerden en om stakend personeel direct te ontslaan.

Sinds vorig jaar zijn de vakorganisaties ook verplicht om het lidmaatschap van alle leden elke drie jaar schriftelijk te laten herbevestigen. “Dat is zogenaamd om mensen die uit gewoonte lid zijn, bewust te maken van hun keuze”, zegt Healey. “Stel je voor dat ze dat bij banken en verzekeraars en politieke partijen zouden doen.” Volgens David Metcalf, hoogleraar industriële relaties aan de London School of Economics, zijn vakorganisaties nergens in Europa zo aan banden gelegd als in het Britse eilandrijk.

Nog altijd is de positie van de Britse bonden veel sterker dan van hun collega's in landen als Frankrijk of Spanje, zegt Metcalf. Maar het strafregime van de conservatieven en de economische ontwikkelingen hebben de machtsbasis van de bonden “wel aanzienlijk verzwakt”. Het aantal vakbondsleden is sinds 1979 bijna gehalveerd van 13,2 tot 7,2 miljoen. Tegelijkertijd is de organisatiegraad van 56 tot 31 procent gekrompen. Minder dan de helft van de Britten werkt nog in een bedrijf waar de bond als overlegpartner erkend wordt. Dat was zestien jaar geleden nog tachtig procent.

De Britse bonden hebben een zware periode achter de rug van leegloop, financiële problemen, saneringen en fusies. Noodgedwongen hebben ze zich aan de moderne tijden aangepast. Verschenen ze in de jaren zestig en zeventig al bij het minste onrecht op de barricades, tegenwoordig zweren ze bij het harmoniemodel. Stakingen zijn al bijna folklore. Per werknemer ging vorig jaar ruim twintig minuten aan acties verloren, bijna honderd keer minder dan zestien jaar geleden. De laatste landelijk demonstratie van de vakbeweging dateert alweer van drie jaar geleden. Die actie was gericht tegen de sluiting van mijnen en haalde ook al niks uit.

John Monks, de secretaris-generaal van de TUC, laat geen gelegenheid voorbij gaan om het redelijke karakter van de 'nieuwe vakbeweging' te onderstrepen. “Op het corporatisme van de jaren zeventig en de economische jungle van nu moet een sociaal verbond van werknemers en werkgevers volgen”, zei Monks nog onlangs op het TUC-congres in Brighton. Het was ook Monks die de gedelegeerden voorhield dat ze niet langer op de traditionele relatie met Labour moeten vertrouwen. Sinds hij twee jaar geleden aantrad, heeft hij de banden met de Conservatieven en Liberaal Democraten stevig aangehaald.

Monks vindt ook dat de bonden meer bedrijfsmatig, minder bureaucratisch, en in elk geval klantvriendelijker bestierd moeten worden. Tevreden meldde hij vorige maand dat meer dan de helft van de 67 aangesloten bonden de dienstverlening vorig jaar heeft uitgebreid. Met juridische adviezen, voordelige hypotheken en korting op vakantiehuisjes moet de grote uittocht ingedamd worden. “De leden willen waar voor hun geld”, is een geliefde lijfspreuk van Monks.

Maar hij kan niet verhelen dat het ledenbestand ook vorig jaar weer met bijna 400.000 mensen is gedaald. Verontrustender is misschien nog de samenstelling van het vakbondsgilde: weinig jongeren, weinig werkers uit de groeisectoren. In de dienstverlening is maar 18 procent van de werknemers bij een vakbond aangesloten, in de informatietechnologie zelfs maar 4 procent. Maar één op de twintig werkende tieners is georganiseerd.

Toch gelooft Monks dat de omstandigheden voor de Britse vakbeweging in tijden niet zo gunstig zijn geweest. De balans tussen kapitaal en arbeid is onder de conservatieven zover doorgeschoten richting kapitaal dat de arbeid in de verdrukking is gekomen. Na de arbeidersklasse wordt nu ook de middenklasse door onzekerheid en uitbuiting getroffen. Terwijl de meeste Britse bedrijven het zonder vakbond en zonder ondernemingsraad menen te moeten stellen, is de behoefte van de werknemers om gehoord en geraadpleegd te worden nog nooit zo groot geweest.

Die stelling wordt gesteund door de resultaten van een opiniepeiling die de TUC begin deze week heeft gepresenteerd. Bijna de helft van de Britse werknemers durft geen kritiek te leveren op de leiding uit vrees voor respresailles. Bijna eenderde neemt geen vrije dagen op uit angst. Drie op de vier zijn minder zeker van hun werk dan drie jaar geleden. En bijna de helft werkt onbetaald over omdat hun firma dat verwacht.

“Dat is de ironie”, zegt David Metcalf, de hoogleraar industriële relaties. “Naarmate de invloed van de bonden is gekelderd, is de populariteit van de bonden naar een historisch hoogtepunt gestegen. Vier van de vijf Britten vinden vakorganisaties noodzakelijk om de belangen van de werkers te beschermen. Onzekerheid over de arbeidssituatie is nooit eerder zo wijdverbreid geweest.”

Maar dat die situatie zal leiden tot een wederopbloei van de Britse bonden weigert Metcalf te geloven. Zelfs niet als Labour over anderhalf jaar aan het bewind komt. Labour-leider Tony Blair heeft duidelijk genoeg gemaakt dat de vakbeweging van hem geen gunsten hoeft te verwachten. De anti-vakbewegingswetten van de Conservatieven zullen door Labour goeddeels intact worden gelaten. Labour zal alleen stimuleren dat werknemers weer het recht krijgen om zich te laten representeren. “Dat zal de afkalving van de vakbonden remmen”, voorspelt Metcalf. “Maar het is niet genoeg voor een renaissance. Grote delen van het bedrijfsleven blijven buiten het bereik van de bonden.” Volgens Metcalf voorgoed.

    • Dick Wittenberg