100 jaar

Op een avond in 1934 riep Walt Disney (1901-1966) zijn animatoren, die de ene succesvolle korte tekenfilm na de andere maakten, bij elkaar en ontvouwde een stoutmoedig plan: de studio zou een avondvullende animatiefilm gaan produceren. Disney vertelde ze meteen de gedetailleerde verhaallijn van Snow White and the Seven Dwarfs, vrij naar het gelijknamige sprookje van de gebroeders Grimm en speelde zelf alle personages na. De vervaardiging nam drie jaar in beslag; de buitenwacht geloofde niet in de bereidheid van het publiek om ooit een kaartje te kopen voor een geheel getekende speelfilm. De financiers dreigden voortdurend de kraan dicht te draaien en op zeker moment werkte de studio vol continu in drie ploegen van acht uur. Eindeloos draaide Disney vertraagd filmpjes van Charlie Chaplin af, om diens bewegingen te analyseren. Vooral de zwijgende dwerg Dopey moest op Chaplin lijken; in werkelijkheid weerspiegelt hij met zijn te grote kleren en stralende, domme-Augustgezicht eerder Harpo Marx, meer een favoriet van de animatoren dan van oom Walt zelf, die met anarchistische joodse humor weinig op had.

De eerste van inmiddels 34 lange tekenfilms uit de studio van Disney, officieel geregisseerd door Disney's luitenant David Hand, werd vanaf de première op 21 december 1937 een doorslaand succes, zelfs in Engeland waar de filmkeuring Snow White and the Seven Dwarfs verbood voor kinderen. De officiële zoetsappigheid van Disney heeft altijd een schaduwkant gehad, die voor de goede verstaander ook in de films zelf zichtbaar is.

De heks van Disney's Sneeuwwitje heeft ons beeld van zwarte magie meer beïnvloed dan enig ander icoon. Ze is ook de moeder van alle vrouwelijke Disney-schurken, van de fee van Doornroosje tot Cruella DeVil: valse, krijsende serpenten die hun afgunst plegen te vertalen in bruut sadisme. In de eveneens door Disney gecreëerde stripwereld van Duckstad komen moeders gewoonweg niet voor; wel neefjes en ooms, die verweesd naar zelden gerealiseerd geluk streven. Maar ook de verstoorde ouderrelaties van Pinocchio, Bambi, Dumbo, Assepoester, Peter Pan en zijn Lost boys, de aan Mary Poppins toevertrouwde kinderen en zelfs The Lion King raken een autobiografische snaar.

In de onlangs verschenen biografie Walt Disney, Hollywood's Dark Prince (Marc Eliot, 1993) wordt gesuggereerd dat Disney niet zeker wist wie zijn moeder was; hij leed op z'n minst onder het gerucht dat de Spaanse dienstbode van de familie hem als haar onwettige zoon had laten adopteren door haar werkgevers.

Het zou kunnen verklaren waarom Disney zichzelf uitriep tot de minister van familiezaken van de twintigste eeuw. De ostentatieve deugdzaamheid van de Disney-doctrine wordt steevast gelogenstraft door het weinig verheffende gedrag van zijn helden en heldinnen. Ook de vondeling Sneeuwwitje wordt door haar verleden achterhaald. Maar de kijkers identificeerden zich, vermoedelijk net als Disney, het meest met die zeven kereltjes, die hun vrouw- en moederloze bestaan feestelijk verlicht zagen worden door de schoonste van het land, totdat haar stiefmoeder een appeltje kwam schillen.

    • Hans Beerekamp