Undercover-agent moet bovengronds blijven denken

DEN HAAG, 3 OKT. Infiltrant zijn bij de politie is geen leven van veel geld en mooie vrouwen. Dat beeld moest eerst worden rechtgezet door het geheimzinnige hoofd van de Nationale Coördinatie Politiële Infiltratie van de CRI, R. Karstens. Elke infiltrant heeft niet minder dan twee persoonlijke psycho-sociale begeleiders die erop toezien dat hij ondanks zijn weelderige bestaan in de onderwereld bovengronds blijft denken. Dat gevaar wordt volgens Karstens in politiekringen samengevat met “de vier D's: drank, dubbeltjes, duiten en... de vierde ben ik even vergeten”. Het commissielid Koekkoek niet. “Dames”, vulde hij snel aan.

Kosten noch moeite waren gespaard om het Karstens gistermiddag naar de zin te maken. Zijn vermomming was zwaar en klassiek: pruik, grote bril, donkere snor, imposant politie-uniform. De elektronische vervorming van zijn stem was zo goed dat er zelfs voor de televisieploeg geen eer te behalen viel. Filmen van dichtbij mocht niet, op last van de minister van justitie. Een week geleden verbood zij Karstens op de televisie te verschijnen, mede omdat hij gevaar zou lopen te worden ontmaskerd. Het verhoor leverde overigens geen antwoord op de vraag of Karstens zichzelf ook pleegt in te nestelen in misdaadorganisaties.

Nederland telt vijfentwintig banen op het gebied van de politiële infiltratie, onthulde Karstens. Van elke tien banen in het vak gaan er slechts drie naar de werkelijke infiltranten, de rest wordt ingeschakeld bij de begeleiding. Trots meldde Karstens dat de Nederlandse politie-infiltratie desondanks kwalitatief tot de “top-3 in Europa” behoort, samen met Duitsland en Groot-Brittannië.

Cruciaal voor een goede infiltratie is een strakke begeleiding, zei Karstens, die in 1992 orde op zaken stelde bij de geheime infiltratiedienst. Hij nam de strikte richtlijnen voor infiltranten over van de Royal Canadian Mounted Police, waarmee de Nederlandse politie veel contacten onderhoudt. Nee, het beeld van de enquêtecommissie dat criminele organisaties de undercover-ambtenaren “al van honderd kilometer zien aankomen”, of dat ze worden ontdekt omdat ze elke dag om zes uur naar huis moeten berust op een misverstand. “Wel keert de politie-infiltrant in principe elke dag terug uit het criminele milieu. Als blijkt dat mijn mensen de normen en waarden overtreden kan er slechts één sanctie volgen: hij wordt uit zijn functie ontheven.” Maar zover is het nog niet gekomen, zei Karstens.

Over de inhoud van die normen en waarden in het undercover-circuit wilde hij niet veel kwijt. Dan zou hij de misdaad wijzer maken dan wenselijk. “Ik hou niet van grenzen”, zei Karstens. “Die kun je niet expliciet vaststellen.” Het commissielid Rouvoet concludeerde daaruit dat “het doel de middelen dus heiligt”. “Nee, dat heb ik niet gezegd.” Maar zou hij bijvoorbeeld infiltreren in een religieuze gemeenschap? “Als ze criminele activiteiten ontplooien, zeker.” Maar welke grenzen zijn er dan wel? “U legt toch niemand op de pijnbank?”, vroeg Van Traa. Nee, daar overschrijd je zo'n grens, zei Karstens. “En middels een liefdesrelatie met een lid van de bende in contact komen, doet u dat?”, tastte vice-voorzitter De Graaf verder naar de grenzen. “Nee”, zei Karstens na enige aarzeling.

Het publiek hoort niet veel van de politiële infiltranten, maar de successen zijn groot, zei Karstens. Zo groot dat het hem “bevreemdde” dat de Amsterdamse politie tijdens de enquête zei geen gebruik te maken van deze strategie. “Het rendement van onze infiltratie in grote zaken is honderd procent”, zei hij. “Uiteindelijk volgt er een ontmanteling. Van de organisatie.”

    • Rob Schoof