Superheld Bosman toont de identiteitscrisis in Sarajevo

SARAJEVO, 3 OKT. Hij is een kruising van Rambo en Superman. Kolossale spierbundels spannen zich onder zijn zwarte maillot. Met een pistool in zijn linkerhand en een shotgun in de rechter beschermt hij moskeeën en bazars tegen mannen met baarden tot hun knieën en veegt hij ninja-scherpschutters uit geblakerde flatgebouwen. Dit is Bosman, de held van Sarajevo.

Bosman is van papier - de rechtlijnige hoofdpersoon uit een populair plaatselijk stripverhaal. Maar de superheld-naar-westers-model als verdediger van het oriëntaalse erfgoed tegen de orthodoxe bad guys toont ook iets van de Bosnische identiteitscrisis. Nu de strijd in Sarajevo voor het moment geluwd lijkt te zijn en de inwoners van Sarajevo weer aarzelend de straat opgaan, vragen zij zich opnieuw af: wie zijn wij?

Ze vertellen nog steeds graag dat Sarajevo een moderne stad is, die wordt belegerd door barbaren. Maar Sarajevo is ook de stad van steeds meer moslims die teleurgesteld zijn in het Westen en nu openlijk steun zoeken bij Arabische landen. Sarajevo laat zich nog altijd voorstaan op tolerantie en openheid, maar steeds meer meisjes dragen een hoofddoekje of hullen zich in het zwart. Veel intellectuelen en kosmopolieten zijn de stad ontvlucht; hun plaats is ingenomen door gelovige vluchtelingen van het platteland.

Sarajevo mag dan vakantie hebben, optimisme is er schaars geworden. “We leven nog steeds in een grote gevangenis”, zegt Davor Kuslec, een politieman die in het centrum patrouilleert. “Onze Servische cipiers hebben geduld. We kunnen alleen nog maar op onszelf vertrouwen.”

Hoe dat zelfredzame Bosnië eruit moet zien, weet niemand precies. De moslim-nationalistische regeringspartij SDA propageert in Sarajevo het gebruik van de 'Bosnische taal', een variant van het Servo-Kroatisch, dat in heel Joegoslavië werd gesproken, met een kunstmatig Arabisch accent en zij stimuleert dat middelbare scholieren Arabisch - na het Engels - als tweede vreemde taal leren. En begin dit jaar hield de regeringskrant Lilijac een halfslachtige campagne tegen gemengde huwelijken.

Maar anderzijds prediken de hodzija's en muftija's in de moskeeën tegen ieder die het horen wil de godsdienstvrede. En ook de SDA stelt Sarajevo soms nadrukkelijk voor als smeltkroes van volken en religies. Zo hangt in de regeringsgebouwen een poster waarop het gelaat van president Izetbegovic uittorent boven een stapel moskeeën, kathedralen en orthodoxe kerken - 'Alija, zonder jou wordt het donker'.

Pagina 5: Dorpen groeien tot steden, in Bosnië worden steden dorpen

Aan de oostkant van Sarajevo, in de oude wijk die tegen de heuvel Mrkovici opklimt, ligt een begraafplaats voor gevallen moslimstrijders. Het is geen gemengd oorlogskerkhof, zoals dat bij de Olympische ijspiste. Emir Mosic benut de zondag om bloemen te planten op het graf van zijn broer, en een houten plakkaat met diens naam: Ibrahim Mosic, 1963-1995. Twee maanden geleden door het hoofd geschoten door een scherpschutter, op weg naar de frontlinie. “Kijk goed naar dit kerkhof”, zegt Emir. “Wat valt je op? Al die bloemen!”, zegt hij triomfantelijk. “Moslims mogen geen bloemen op hun graf zetten, maar deze begraafplaats lijkt wel een botanische tuin. Wat voor moslims zijn wij? Als de Serviërs nog dertig jaar geduld hadden gehad, was er geen moslim over geweest in Sarajevo.”

Een paar honderd meter hoger op de heuvel woont Belma, een moslim-vrouw. Zij heeft haar geloof in Sarajevo verloren. “De Krestalica-straat was altijd een moslim-straat, maar men groette elkaar met de Servo-Kroatische eenheidsgroet dobrodan: goedendag”, zegt ze. “Maar nu is het salam aleikum voor en merhaba na.” De lagere school oefent druk op haar uit om haar twee zonen naar koranles te sturen, zegt ze. “Nooit van mijn leven, de familie is atheïstisch.”

Op tafel ligt haast demonstratief een vertaling van Fear of Flying, de seksuele avonturen van Erica Jong. “Ik ben Westers, niet Iraans.” Veel jonge meisjes in de straat dragen tegenwoordig hoofddoekjes, wanhopig wordt Belma daarvan. “Dat is een oorlogsprodukt, islamitische paranoïa. Ik begrijp het wel, als ze van links en rechts op je inschoppen, moet je een identiteit vinden. Maar ik hoop dat het overgaat.”

Belma heeft minder last van de Serviërs dan van haar buren. Ze schelden haar uit voor 'Cetnik-teef' omdat haar man een Serviër is, zegt ze. Haar man dient bij het regeringsleger op de berg Igman. Hij is veertig, voor de oorlog was hij mananger op het vliegveld van Sarajevo. Meer dan gewoon soldaat zal hij nooit worden, omdat ze geen Servische officieren willen. Belma: “Laat je niets wijsmaken over het tolerante Sarajevo. Voor gemengde gezinnen is hier geen plaats meer. Maar waar moeten we naartoe?”

Drie huizen verderop woont het gezin van Cesma. Zijn overgrootvader woonde al in de Krestalica-straat. Hij noemt zichzelf een “onfanatieke moslim” en bewijst dat door in zijn prieeltje van druivenranken zelfgestookte slivovitz te blijven inschenken. Vroeger groeiden er alleen rozen in zijn tuin, zegt Cesma. Nu paprika, komkommer en kool om zijn gezin in leven te houden.

Cesma is slecht gehumeurd, want “de Ustase” zit weer eens ongenodigd in de tuin en zal pas weggaan als de fles leeg is, zo vreest hij. 'De Ustase' is een oude Kroaat met een perkamenten gezicht, die in de Tweede Wereldoorlog uit Foca naar Sarajevo vluchtte en zich aansloot bij de Ustasa, de fascistische Kroatische militie van Ante Pavelic. In 1944 vierde hij zijn bruiloft met een moslim-vrouw in deze straat. Op dezelfde dag dat de Duitsers het oude spoorwegstation van Sarajevo vernietigden.

“Ik heb honderden Tito-partizanen en Cetniks gedood”, giechelt de Ustase. “Ik liet ze hun eigen graf graven. En dan met mijn Duitse mitrailleur, pa-pa-pa-pa.” Hij richt een denkbeeldig geweer op de tweelingdochters van Cesma, die met grote ogen toekijken. De oude man beweert dat hij een Ustasa-veteranenpensioen van honderd D-mark per maand krijgt, uit Zagreb. “Ik ben voor een Groot-Kroatië. Met de moslims, want de moslims zijn eigenlijk Kroaten.”

Na een kwartiertje heeft Cesma er genoeg van en jaagt hij hem zijn tuin uit. “Hij was geen oorlogsmisdadiger, maar een dappere soldaat”, zegt hij verontschuldigend. “Tito heeft hem tien jaar in de gevangenis gezet, daarna keerde hij weer terug naar deze straat. De Ustase is altijd openlijk blijven opscheppen dat hij in Ante Pavelic en Hitler gelooft. Wij beschermen hem een beetje.”

De vluchtelingen hebben zijn Sarajevo veroverd, klaagt Cesma. Het zijn boeren, fundamentalisten, ze hebben geen cultuur. “Vroeger, in de oude stad, kon je van de straat eten. Maar deze mensen spugen overal en snuiten hun neus in het openbaar. Ze laten hun vuilnis op straat liggen. Er lopen geiten op straat. Dorpen groeien uit tot steden, maar in Bosnië krimpen steden in tot dorpen.”

Niet dat Cesma de vluchtelingen haat. Ze hebben geleden onder etnische zuiveringen, ze stonden in de eerste frontlinie om Sarajevo te verdedigen. En op een bepaalde manier geeft de Ustase hem hoop. “Hij kwam 55 jaar geleden ook als vluchteling en bracht de barbarij naar Sarajevo. Maar de mensen in deze straat behielden hun karakter, we hebben hem in ons midden opgenomen. Misschien kunnen we deze nieuwe mensen ook opvoeden.”

Cesma blijft in de Krestalica-straat wonen. Als geoloog kan hij in Sarajevo misschien ooit weer werken, in Westerse landen zou hij slechts een sociaal probleem zijn. “Wij moslims hebben één fout”, zegt hij. “Wij zijn gedoemd te denken dat we met iedereen kunnen samenleven. Arabieren zullen we nooit worden, dat zit niet in ons bloed. Maar als de Serviërs en Kroaten vechten, zijn het altijd moslim-hoofden die rollen. Het is treurig. Maar wat kunnen we eraan doen?”