Onderzoek verder vertraagd; Hoger beroep toezichthouder Vie d'Or-zaak

ROTTERDAM, 3 OKT. De Verzekeringskamer vecht de uitspraak van de Ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam inzake de Vie d'Or-affaire aan bij de Hoge Raad. Het onderzoek naar de ondergang van de verzekeraar Vie d'Or in december 1993 wordt hierdoor verder vertraagd.

Een woordvoerder van de Verzekeringskamer bevestigde dat de toezichthouder in cassatie is gegaan. De Verzekeringskamer is na een “zware afweging” tot de beslissing gekomen om beroep aan te tekenen bij de Hoge Raad. De Verzekeringskamer wil dat dit hoogste rechtscollege zich uitspreekt over de vraag in welke hoedanigheid de toezichthouder kan worden aangesproken op het debâcle bij Vie d'Or, waardoor honderden polishouders werden gedupeerd. Na november 1993 was de Verzekeringskamer behalve toezichthouder ook als 'noodregelaar' verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken bij Vie d'Or.

Bovendien wil de Verzekeringskamer dat de Hoge Raad zich uitspreekt over de vraag of de onderzoekers van de ondernemingskamer inzage mogen krijgen in gegevens vanaf 1 januari 1988, de dag waarop Vie d'Or een vergunning van de Verzekeringskamer kreeg. In haar verzet tegen onderzoeken naar het faillissement van Vie d'Or heeft de Verzekeringskamer zich altijd beroepen op haar geheimhoudingsplicht.

De Ondernemingskamer had in augustus bepaald dat de ondergang van de levensverzekeraar Vie d'Or en het toezicht van de Verzekeringskamer onderzocht moeten worden. Vooral het feit dat ook de rol van de Verzekeringskamer bekeken moest worden, was opvallend. De Ondernemingskamer had twijfels over het toezicht dat de Verzekeringskamer op Vie d'Or had uitgeoefend. De speciale kamer van het gerechtshof in Amsterdam vindt dat er ook over de periode ná het onder curatele stellen van de levensverzekeraar op 18 november 1993 “gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen”.

Het faillissement van Vie d'Or in 1993 leverde voor de polishouders een schadepost op van 150 à 180 miljoen gulden. Vie d'Or ging volgens de curator failliet ten gevolge van “mismanagement”. Als de Ondernemingskamer na onderzoek zou concluderen dat er inderdaad fouten zijn gemaakt, dan kunnen de aandeelhouders met het rapport naar de gewone rechter stappen om een schadevergoeding te eisen. Naast het onderzoek van de Ondernemingskamer loopt er een strafrechterlijke procedure door justitie, een onderzoek van het accountantskantoor KPMG (in opdracht van de stichting Vie d'Or). Ook een speciale Tweede Kamercommissie onderzoekt het faillissement. Het parlementaire onderzoek richt zich met name op de politiek-bestuurlijke besluitvorming.