Lokale belastingen op hol?

Voor veel burgers kan het nauwelijks een verrassing zijn: blijkens de Miljoenennota 1996 steeg de druk van door gemeenten en provincies opgelegde belastingen en heffingen de afgelopen tijd met meer dan tien procent per jaar. De opbrengst van de onroerende-zaakbelastingen - verschuldigd door eigenaren en gebruikers van huizen, gebouwen en grond - nam in luttele jaren toe van drie tot vier miljard gulden.

Revenuen uit hoofde van gemeentelijke milieuheffingen, zoals het riool- en het reinigingsrecht, vlogen tussen 1990 en 1995 omhoog van 1,3 miljard tot liefst 3,2 miljard gulden. Hoofdoorzaak van deze lastenexplosie was dat gemeenten steeds meer geld kwijt zijn om het afval van hun burgers te lozen op een manier die voldoet aan de hoog opgeschroefde milieu-eisen van de landelijke overheid. Als gevolg van de forse lastenverzwaringen bekostigen de lagere overheden dit jaar vijftien procent van hun uitgaven uit eigen middelen; een aantal jaren geleden bedroeg het aandeel van die eigen middelen nog slechts vijf procent.

Op de stijging van de lokale lasten rust de zegen van de rijksoverheid. De redenering in het Haagse luidt dat burgers bij uitstek op plaatselijk niveau kunnen afwegen hoeveel zij over hebben voor collectief tot stand gebrachte voorzieningen. Die afweging wordt versterkt, doordat gemeentelijke belastingen in het algemeen gesproken goed zichtbaar zijn. Zij worden vaak via een aanslag geheven, of de burger moet het geld van de parkeerbelasting gulden voor gulden in de meter duwen. Dit zou het college van B&W en de gemeenteraad kunnen weerhouden van ondoordachte tariefverhogingen. Partijen die zich voorstander tonen van te voortvarende lastenverzwaringen moeten bij de eerstvolgende verkiezingen vrezen op de blaren te zitten.

Langs andere weg dan via de stembus kunnen plaatselijke machthebbers niet worden teruggefloten. De rijksoverheid laat gemeenten en provincies vrij hun eigen tarieven te bepalen, zolang ze op aan burgers verleende diensten tenminste geen winst maken. De afspraak uit het regeerakkoord dat de collectieve lasten tussen 1995 en 1998 met bijna negen miljard gulden dalen, geldt uitsluitend voor de rijksbelastingen en de premies voor de sociale verzekeringen.

De band tussen betalen en genieten is veel minder goed zichtbaar bij de uitgaven van de lagere overheden die worden gedekt uit de opbrengst van de rijksbelastingen. Enerzijds geven ministeries gericht geld aan gemeenten en provincies voor bepaalde taken, zoals het verlenen van bijstandsuitkeringen. Het aandeel van zulke specifieke uitkeringen is de afgelopen vier jaar tamelijk fors gedaald, tot 52 procent van de gemeentelijke en provinciale uitgaven. Beleidsmakers in Den Haag juichen deze ontwikkeling toe, omdat specifieke uitkeringen de lagere overheden weinig bestedingsvrijheid laten. Plaatselijke voorkeuren komen immers in het gedrang wanneer Haagse bureaucraten een uniforme regeling aan de lagere overheden opleggen.

Anderzijds stroomt een hoop geld vanuit Den Haag naar de gemeenten en provincies via de Algemene uitkering uit het Gemeentefonds dan wel het Provinciefonds. Die beide fondsen worden op hun beurt gevuld met een bepaald percentage van de opbrengst van de rijksbelastingen. De algemene uitkering dekt nu 33 procent van de uitgaven van de lagere overheden. De groeiende betekenis van de algemene uitkering (27 procent in 1990) valt positief te duiden, omdat gemeenten en provincies in beginsel zelf de bestemming van het ontvangen geld mogen bepalen. Al toont de gemeentebegroting uiteraard tal van onontkoombare posten, zoals het salaris van de burgemeester, de algemene uitkering geeft gemeenten vaak vurig gewenste bestedingsvrijheid.

Met ingang van 1997 geldt voor de toedeling van de algemene uitkering aan de ruim zeshonderd gemeenten een nieuwe verdeelsleutel, waardoor sommige gemeenten er flink op vooruit gaan, terwijl andere gemeenten heel wat veren moeten laten. Deze herverdelingsoperatie beoogt gemeenten in een gelijke startpositie te brengen, rekening houdend met kenmerken als een zwakke sociale structuur en de eigen belastingcapaciteit. De operatie stoelt op de veronderstelling dat de gemeentelijke lastendruk als geheel niet zwaarder zal worden. Min-gemeenten die hun inkomsten uit het Gemeentefonds zien dalen zullen zich vaak gedrongen voelen de eigen heffingen op te schroeven. Anderzijds zouden plus-gemeenten, dank zij de hogere ontvangsten uit het Gemeentefonds, hun nu vaak buitensporige belastingtarieven kunnen verlagen.

Uit een recente reportage in het blad Binnenlands Bestuur blijkt echter dat de plus-gemeenten - een enkele uitzondering, zoals de stad Utrecht, daargelaten - de komende meevaller vooral willen gebruiken om hun uitgaven op te voeren. De bonus gaat op aan investeringen in het stadshart, in cultuurtempels en sportpaleizen, of hij wordt ingezet voor extra steun aan de minima en werkgelegenheidsprojecten.

Per saldo pakt de nieuwe verdeelsleutel voor de Algemene uitkering uit het Gemeentefonds dus niet neutraal uit. De druk van gemeentelijke belastingen en heffingen loopt verder op, wat de in Den Haag uitgestippelde lastenverlichting voor een flink deel tenietdoet. Burgers die dat niet bevalt, kunnen alleen van hun ongenoegen blijk geven bij de eerstvolgende verkiezingen voor de gemeenteraad. Hogere gemeentelijke lasten bevorderen zo in elk geval de betrokkenheid van de burgers bij het lokale bestuur.