Kunstprogramma's zijn er, maar veel te laat op de avond

Naar aanleiding van een inleiding die ik heb gehouden bij het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties op 14 september jl. (gepubliceerd in NRC Handelsblad 18 september), is een discussie over de plaats van kunst en wetenschap binnen dan wel buiten het publieke televisiebestel losgebrand. Dit heeft geresulteerd in een tweetal reacties op de opiniepagina van 22 september, terwijl op de burelen van de initiatiefnemers voor een kwaliteitszender voor kunst, cultuur en wetenschap, namelijk Kunsten '92, Kunstkanaal, Amsterdam Kunstenstad en Stichting Het Derde Net, ook een groot aantal reacties zijn neergedaald.

Mr C.J.E. Dijk beklaagt zich op de opiniepagina, vanuit zijn functie als hoofd dienst programmazaken van de NOS, over de herhaling van zetten die de discussie tussen enerzijds de NOS en anderzijds de kunstwereld kenmerkt en hij noemt daarbij voorbeelden die teruggrijpen tot het jaar 1993. Geachte heer Dijk, ik wil het hier nog veel bonter maken. Al tien jaar eerder werd door de kunstwereld bij monde van de Stichting Het Derde Net precies hetzelfde beweerd als wij nu nog steeds doen, namelijk dat de belangen van zowel de kunstenaar, de makers van culturele programma's en die van het in kunst, cultuur en wetenschap geïnteresseerde publiek door de publieke omroepen worden miskend. Ik kan u toezeggen dat indien er in dit opzicht niets verandert, dergelijke reacties uit de kunstwereld zich tot ver in het volgende millennium zullen blijven herhalen.

De heer Dijk beroept zich erop dat de onafhankelijkheid wordt gewaarborgd door het feit dat deze omroep wordt gefinancierd uit zowel omroepbijdragen als reclameinkomsten. Maar dat is nu juist het grote probleem: omdat het publieke bestel zowel de meester van het grote aantal kijkers als die van de Ster-adverteerder wil dienen, wordt de werkelijke opgave waar de publieke omroep voor staat verkwanseld, namelijk het presenteren van programma's die niet noodzakelijkerwijs gemaakt worden voor het geld of voor de massa. Dijks redenering dat men daarmee uitsluitend een bovenlaag zou bereiken, acht ik niet alleen diskwalificerend maar is bovendien, zo blijkt uit allerlei publieksonderzoeken, empirisch onjuist.

Het wordt helemaal interessant als Dijk een groot aantal produkties noemt waaruit zou moeten blijken hoevéél kunst door de publieke omroep wordt uitgezonden. Ik zou de heer Dijk willen verzoeken deze lijst te publiceren, maar dan aangevuld met aanvangstijden en vooral de eindtijden waarop deze produkties worden uitgezonden. Ik kan u verzekeren dat de kunstliefhebber die in deze - vaak voortreffelijke - uitzendingen geïnteresseerd is, de volgende ochtend met rode slaapogen op zijn werk verschijnt. Tenminste, als hij niet door de wekker heenslaapt. Dijk vergelijkt de publieke omroep met een kunstinstelling. Mag ik hem eraan herinneren, dat de belangrijkste kunstprogrammeurs van de NPS en masse de omroep hebben verlaten om over te stappen naar een commerciële producent, waar men zich blijkbaar meer thuis voelt dan bij moedertje NPS?

De heer Brands heeft in zijn reactie, die onder die van de heer Dijk werd geplaatst, zo zijn twijfels of het commerciële kunstenavontuur enige kans van slagen heeft. Het interessante is dat zijn redenering volgens mij nu juist een versterking vormt voor onze plannen. Hij gaat uit van een kijkdichtheid van tussen de 2 en 3% in prime time, terwijl wij mikken op een marktaandeel van ongeveer 3%. Aangezien bij kijkdichtheid wordt gemeten welk percentage van het totale televisiepubliek naar een bepaald programma kijkt, terwijl het bij marktaandeel uitsluitend gaat om het percentage dat hun toestel ingeschakeld hebben, betekent de door Brands genoemde kijkdichtheid een marktaandeel dat verre de door ons beoogde 3% overstijgt.

Aangezien het publiek voor het kunstnet een redelijk homogene en kwalitatief hoogstaande belangstelling heeft, zo leren ook de eerste contacten met de in deze doelgroep geïnteresseerde bedrijven en instellingen, levert dit een buitengewoon interessant profiel op voor de desbetreffende adverteerder. Overigens bewijzen de donderdag- en vrijdagavondedities van NRC Handelsblad dat zich onder deze adverteerders de kunstinstellingen zelf niet onbetuigd zullen laten.