Kleinschalig protest vijftien meter boven de boomtoppen

De anonieme activisten van het kleinschalige protest - ze zijn er nog, maar het is een slechte tijd voor hen. De krant halen ze amper meer met de zoveelste vernieling aan een kazerne of de bezetting van een militaire landingsbaan.

Ze willen een wereld zonder geweld en vervuiling, maar hoe bereik je dat? Met geweld? Over die principiële kwestie gaat het vandaag. Anton van Meert moet terechtstaan voor de Arnhemse politierechter omdat hij van maart tot mei eenendertig gaten in hekken van twee kazernes in Ede heeft geknipt. Hartvormige gaten waren het, want een beetje symboliek kan nooit kwaad.

De 45-jarige Van Meert heeft voor een dergelijk delict al vaker terechtgestaan, hij is zelfs tot gevangenisstraf veroordeeld. Hij heeft het er kennelijk graag voor over. Met opgeheven hoofd komt hij binnen, vergezeld door zijn advocaat en ruim tien sympathisanten, onder wie de bekende vredesactivist Kees Koning, nog altijd herkenbaar aan zijn uitbundige gezichtsbeharing.

“U heeft in één geval tegen de politie gezegd: 'Ik heb enige positieve werkzaamheden aan het hekwerk verricht.' Waarom zei u dat?” vraagt de rechter, mr. P. Verkade.

“Dat is een serieuze opmerking. Heeft u mijn brochure gelezen?”

De rechter knikt.

“Het is idioot en ontzettend negatief dat zoveel mensen in de wapenindustrie werken. Ik wil daar in symbolische zin iets tegen doen.”

“Hoe is het na juni gegaan?” vraagt de rechter.

“Ik ben tijdelijk gestopt”, zegt Van Meert met merkbare tegenzin.

Hij is in 1986 als activist in Woensdrecht begonnen. Vanaf dat jaar heeft zijn leven in het teken van het activisme gestaan.

“U heeft een totale schade van 20.000 gulden veroorzaakt”, zegt de rechter. “Wilt u ons iets vertellen over uw werk, uw inkomen?”

“Ik neem genoegen met een heel laag inkomen: 800 tot 1.000 gulden per maand.”

“In de vorm van een uitkering?”

“Nu wel. Vroeger had ik werk bij een ideëel bedrijfje.”

De rechter begint over Van Meerts zelfgeschreven brochure. Het is een boekje met een gele kaft waarop de woorden 'Op zoek naar vrede' prijken boven een tekening met een gebroken geweer. “Daarin gaat u in op het laag vliegen van Nederlandse F-16-straaljagers over Canada. Maar uw bezwaren zijn algemener?”

Dat zijn ze zeker, maar eerst wil Van Meert nog wel iets kwijt over die straaljagers. Vanaf 1986 houdt Nederland, naast andere NAVO-lidstaten als Engeland en Duitsland, laagvliegoefeningen ('vijftien meter boven de boomtoppen') boven het woongebied van de 13.000 Innu-indianen in Quebec en Labrador. De Innu hebben van meet af aan hevig geprotesteerd tegen deze overlast en bedreiging van hun natuur en wildstand.

Die protesten hebben niets opgeleverd. De Canadese regering heeft zelfs besloten het aantal laagvliegoefenvluchten uit te breiden van 7.000 per jaar naar 18.000.

“We maken hun cultuur langzaam kapot”, zegt Van Meert. “Je ziet dit proces ook elders op de wereld. Kleine volken worden onder druk gezet, hun bronnen van bestaan aangetast en hun cultuur vernield.”

Dan begint Van Meert uit te pakken over al het andere onrecht dat de wereld teistert. Dat is, zoals bekend, niet weinig, al blijft het nogal abstract op zo'n grauwe, doordeweekse morgen in het zaaltje van een Arnhemse politierechter.

“Driekwart van de wereldbevolking lijdt armoede”, doceert Van Meert. Hij was veel in ontwikkelingslanden geweest totdat men tegen hem zei: je moet deze problemen in je eigen land aankaarten.

“Ik wil de mensen wijzen op hun verantwoordelijkheid, ook bij justitie. Justitie verwijst altijd naar een ander loket: dat van de politieke instellingen. Ondertussen worden het geweld, het egoïsme en het recht van de sterkste gepredikt.”

“Vindt u het onjuist dat u vervolgd wordt?” onderbreekt de rechter hem.

“Ik vind het voorspelbaar. Ik probeer mensen voor een keus te stellen.” Van Meert begint aan een moeilijk te volgen betoog over primaire en secundaire verantwoordelijkheden. Justitie is, volgens hem, primair verantwoordelijk voor, ja, waarvoor eigenlijk? Het blijft onduidelijk.

“Is het niet gevaarlijk om justitie voor een primaire verantwoordelijkheid te plaatsen?” vraagt de officier, mr. H. Hillenaar.

“In ethische zaken moet dat inderdaad”, zegt Van Meert.

“Ethiek is subjectief”, zegt de officier. “U probeert door het overtreden van wetten bij rechters en justitie een snaar te raken zodat ze hun primaire verantwoordelijkheid nemen. Maar ik zou het een gevaarlijke zaak vinden als ik mijn persoonlijke overtuiging zou laten doorklinken in mijn opstelling. Dat mondt uit in persoonlijke willekeur. De maatschappelijke discussie moet zich niet in rechtszalen afspelen, maar in de Kamer.”

De officier wil weten waarom Van Meert 'tijdelijk gestopt' is. “Als de straf te hoog wordt, stopt u?”

“Ik ga niet in op zulke vragen”, zegt Van Meert. “Ik doe dit allemaal niet voor mijn plezier, ik ga met lood in mijn schoenen naar die kazernes.”

“Ik vraag de maximale straf”, zegt de officier, “want eerdere waarschuwingen hebben geen resultaat gehad. Dus zes maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk plus een straatverbod bij de kazernes in Ede.”

De advocaat, mr. E. Hummels, bestrijdt het straatverbod, en hij vindt de geëiste gevangenisstraf veel te zwaar voor 'deze gematigde overtreding van de strafwet'. “Het is een ongehoord schandaal wat daar in Canada gebeurt. Nederland onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheid.” Zijn cliënt heeft niet meer willen doen dan 'de klok luiden'. Voor de rechter heeft hij deze boodschap: “Ook als rechter moet je naar eer en geweten handelen - dat is geen ambtsgeweten, maar een persoonlijk geweten.”

De rechter heeft het allemaal geduldig aangehoord. “Natuurlijk heeft elke rechter een persoonlijk geweten en speelt dat mee in zijn werk”, zegt hij. “Maar dat betekent nog niet dat hij zich moet laten meeslepen door persoonlijke ervaringen.” En tegen de verdachte: “U zei dat een democratie kan afglijden naar een dictatuur?”

“Ja”, zegt Van Meert.

“Maar een democratie kan ook afglijden naar anarchie. Als ik zeg dat dit mag, dan gaat morgen iemand de ruiten van de gemeentekantoren ingooien omdat hij tegen de uitkeringen is.”

De rechter veroordeelt de verdachte tot vijf maanden gevangenis waarvan drie voorwaardelijk. Voor dienstverlening voelt hij niets. “Als hij uit beginsel meent te moeten beschadigen, dan moet hij ook de straf respecteren die de wet in beginsel vordert.” In een straatverbod ziet hij evenmin heil. “Nederland staat stijf van de legerplaatsen. Als hij wil knippen, kan hij op honderd andere plaatsen terecht.” De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams