Kamer diep verdeeld over vervoer

DEN HAAG, 3 OKT. Minister Jorritsma had nog willen zeggen dat ze 'blij' was over de instemming, in de Tweede Kamer, met concurrentie in het openbaar vervoer. 'Onder voorwaarden' en 'onder voorbehoud' weliswaar, maar toch, de fracties konden zich er kennelijk in vinden. Maar de minister had dit slot van haar 'speaking notes' nog niet uitgesproken, toen de voorzitter gisteravond om elf uur afhamerde. En dat was tekenend voor het verloop van het twaalf uur durende debat.

Want niet alleen bleek een volle dag vergaderen onvoldoende (over enkele weken volgt de tweede termijn), ook was aan het einde van het debat volslagen onduidelijk wat de Tweede Kamer wil. De plannen met bus, tram en metro die gisteren werden besproken, zei het Kamerlid Van 't Riet (D66) op een gegeven moment, “zijn zo complex, dat ik soms het gevoel krijg dat mijn hoofd barst”. En bij al die complexiteit was maar één ding evident: dat niemand zeker weet of concurrentie zal zorgen voor een beter gedijend openbaar vervoer.

Dus kon het gebeuren dat de PvdA gisteren met een variant van het 'Franse model' kwam, D66 met het 'Zweedse model', terwijl de VVD weer geheel andere voorwaarden aan de invoering van concurrentie stelde. Er vielen termen als 'nee, tenzij', 'ja, mits' en 'oranje licht'. Want hoewel jarenlang is gewerkt aan het rapport waarin marktwerking bij bus, tram en metro wordt geadviseerd, en er ook al twee proef-aanbestedingen hebben plaatsgehad, heeft het parlement zich nog op geen enkel moment uitgesproken over de wenselijkheid van concurrentie in het openbaar vervoer, of dat nu om bus, tram en metro of om de spoorwegen gaat - en is men er ook nog lang niet uit.

Zo vraagt een meerderheid in de Tweede Kamer zich af, bleek gisteren, of de reiziger bij concurrentie in 'stad en streek' gebaat zal zijn. Het risico bestaat immers dat de vervoerbedrijven zich meer met elkaar dan met het bestrijden van de automobiliteit zullen bezighouden. Ook is het maar de vraag of minder subsidie zal leiden tot meer en beter openbaar vervoer, zoals het ministerie meent. Wat zal trouwens de positie van de werknemers zijn, als elke vijf jaar om de concessie voor een bepaald gebied moet worden gestreden? En hoe zal het het vervoer op het platteland vergaan?

“Wij hebben grote huiver”, zei het Kamerlid Van Gijzel (PvdA) daarom. Van 't Riet liet weten dat ze “dit zo niet wil”, terwijl Reitsma (CDA) concurrentie “in principe” een goed middel vond, maar wel een aantal “keiharde garanties” wenste, en zich ook afvroeg of, als de Nederlandse vervoermarkt straks opengaat, dit omgekeerd ook in het buitenland zal gebeuren. Alleen Remkes (VVD) steunde de plannen “van harte”, maar wilde van zijn kant de “zekerheid” dat de streekvervoerdersholding VSN, in feite een monopolist op de vervoersmarkt, zou worden opgedeeld in een tiental kleinere bedrijven.

Dat de coalitiefracties niet tot een eensgezinde opstelling waren gekomen, had er ook mee te maken dat de invoering van concurrentie bij bus, tram en metro een ingewikkeld onderwerp is, waar anderen dan de directe woordvoerders zich maar liever niet teveel mee bemoeien. Waar bij gevoelige onderwerpen als aanleg van de Betuwelijn en uitbreiding van Schiphol de fractieleiders een grote rol speelden, gaat de introductie van marktwerking, hoe belangrijk ook voor de toekomst van het openbaar vervoer, grotendeels aan publieke en politieke opinievorming voorbij. Vrijwel onopgemerkt gaan bus, tram en metro in de uitverkoop. Alleen over de verzelfstandiging van de spoorwegen wordt nog wel eens een mening vernomen, al is daarbij tegelijk duidelijk dat die verzelfstandiging niet meer terug te draaien is.

Intussen wordt op het ministerie van verkeer en waterstaat hard gewerkt aan de voortgang van de plannen met 'stad en streek'. Het volgende debat in de Tweede Kamer, bleek gisteren, zal gaan over de 'invoeringsnotitie'. Zoals de term al aangeeft, zal daarin uit de doeken worden gedaan hoe de concurrentie precies vorm zal krijgen. Ook zullen binnenkort weer een aantal proef-aanbestedingen plaatshebben. De Tweede Kamer, inmiddels toch bang voor een onomkeerbaar proces, pleitte gisteren voor een 'verkenning' (Van Gijzel) of een 'tussenrapportage' (Reitsma) van de volgend voorjaar verwachte invoeringsnotitie, zodat men in ieder geval zou weten “wat de denkrichting is”.

    • Gretha Pama