Ghanees wacht nog steeds op het economische wonder

De beste leerling van de Afrikaanse klas. Zo staat Ghana sinds 1983, toen het aan een structureel aanpassingsprogramma begon, bekend bij de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds. Maar in Ghana zelf groeit de kritiek. De levensstandaard van de gemiddelde Ghanees neemt niet snel genoeg toe, zo is de klacht, en de verwachte grote toevloed van buitenlands investeringskapitaal blijft vooralsnog uit. Inmiddels heeft de architect van het Ghanese 'wonder', minister van financiën Kwesi Botchwey, zijn ontslag ingediend.

ACCRA, 29 SEPT. Het is druk langs de grote wegen van en naar de Ghanese hoofdstad, Accra. Overal staan verkopers die op elke plaats waar er ook maar enige kans is op opstopping, hun produkten aan automobilisten willen slijten. “Tien jaar geleden hadden de meesten van hen nog een gewone baan”, zegt Kwadwu Tutu, econoom aan de universiteit van Legon in Accra. “Nu staan ze langs de snelweg omdat ze nergens anders werk kunnen vinden. En de produkten die ze verkopen, komen niet uit Ghana maar zijn allemaal geïmporteerd. Als je zoiets ziet durf je Ghana dan nog een economisch wonder te noemen?”

Na meer dan tien jaar structureel aanpassingsbeleid groeit de twijfel in Ghana. Zelfs in het kantoor van de Wereldbank in Accra, dat nauw betrokken was bij de formulering van het aanpassingsprogramma, blijkt de onzekerheid toegeslagen te hebben. Vorig jaar nog gaf de Bank in een rapport Ghana - als enige land in Afrika - vier sterren voor het gevoerde overheidsbeleid. Door de voortdurende depreciatie van de ceedee, de Ghanese munteenheid, is de concurrentiekracht van Ghanese produkten op de wereldmarkt sterk toegenomen, aldus het rapport toen. Omdat ook de lonen in Ghana 'concurrerend' zijn en de Ghanese regering een aantal maatregelen heeft genomen om buitenlandse investeringen aan te trekken en het tekort op de overheidsbegroting terug te dringen, is het zeker niet uitgesloten, aldus het rapport, dat Ghana op termijn net zo snel economisch gaat groeien als de 'tijgers' in Zuidoost-Azië.

De vertegenwoordiger van de Bank in Ghana, de Australiër Robert Epworth,blijkt echter nogal wat kanttekeningen te zetten bij dat optimisme. “De Bank heeft nooit gezegd dat het structureel aanpassingsprogramma automatisch tot een toestroom van buitenlandse investeringen leidt. Het enige dat een regering als de Ghanese kan doen is een gezond macro-economisch klimaat creëren in de hoop dat buitenlandse investeerders serieus naar het land gaan kijken. In de praktijk duurt het altijd een paar jaar voordat ze echt overtuigd zijn dat het zinvol is om in een land te investeren. Ghana moet daarom nog geduld hebben, ook al is dat moeilijk.”

Inmiddels heeft de geloofwaardigheid van de Ghanese regering een flinke knauw gekregen. Na een hooglopend conflict binnen de Ghanese regering over de privatisering van overheidsondernemingen, door de Wereldbank gezien als de volgende stap op weg naar economisch succes, besloot de architect van het Ghanese economische 'wonder', minister van financiën Kwesi Botchwey, vorige maand zijn ontslag in te dienen. Zijn plannen om de Ghanese Nationale Oiemaatschappij te privatiseren liepen stuk op een veto van de president, Jerry Rawlings. Deze wilde een van zijn politieke vrienden, Tsatsu Tsikata, die een groot belang heeft in de onderneming, beschermen. Volgens Botchwey zet de maatschappij door wanbeleid de staatskas onder druk. Vorig jaar maakte de onderneming een verlies van 120 miljoen dollar (180 miljoen gulden). De rel binnen de regering wierp een ernstige schaduw over het bezoek van de directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF), Camdessus, aan Accra. Volgens bronnen bij het IMF verliet Camdessus Ghana met het idee dat de regering geen greep meer heeft op haar begroting.

Velen in Ghana zetten inmiddels grote vraagtekens bij het regeringsbeleid. Uit onderzoek van de universiteit van Legon blijkt dat na 1983, toen Ghana aan het structurele aanpassingsbeleid begon, er gemiddeld jaarlijks voor zo'n 6 miljard dollar (9,6 miljard gulden) aan buitenlands kapitaal in het land is geïnvesteerd. In de jaren daarvoor, toen de Ghanese regering nog geloofde in industrialisatie door importsubstitutie, bedroeg dat cijfer maar liefst 21 miljard dollar (ruim 33 miljard gulden).

“Na tien jaar structurele aanpassing krijgen we minder investeringen dan Vietnam, terwijl dat land pas enkele jaren zijn markt heeft opengesteld”, zegt ook Botchwey. “Wat Ghana nu moet doen is wereldwijd campagne voeren om investeerders op de pluspunten van ons land te wijzen.” Toch ziet ook hij weinig verbetering in de nabije toekomst. “Een van de grootste problemen die wij hebben is het zogeheten Nigeria-effect. Investeerders zien dat de instabiliteit in Nigeria steeds meer toeneemt en zijn bang dat die overslaat naar Ghana. En vergeet ook niet dat de wereld anders is dan ten tijde van de Koude Oorlog toen Zuidoost-Azië industrialiseerde. Toen was de wereldconjunctuur gunstig en was er een beperkte groep landen die naar internationale investeringen dong. Nu wil iedereen buitenlands kapitaal naar zijn land lokken. De concurrentie is nu veel sterker. Het is niet meer genoeg om de juiste macro-economische maatregelen te treffen.”

Ook op het soort investeringen dat Ghana heeft aangetrokken, groeit de kritiek. “Buitenlandse investeerders komen hier vooral om de economische hulpbronnen van Ghana te exploiteren”, aldus Tutu. “We exporteren nog steeds, net als voor de structurele aanpassing begon, vooral cacao, hout, en goud. In feite raken we onze natuurlijke hulpbronnen kwijt terwijl we er zelf niets of nauwelijks mee opschieten. Onze hulpbronnen worden immers in het buitenland verder bewerkt en niet in Ghana.”

Volgens Tutu zou het regeringsbeleid danig moeten veranderen. “De huidige regering in Accra maakt een enorme fout. Door de buitenlandse handel te liberaliseren denkt ze dat de markt vanzelf zal bepalen waar Ghana goed in is. Zo'n passieve houding werkt echter niet. Als regering moet je zelf veelbelovende sectoren stimuleren. Dat is gebeurd in een land als Mauritius en daar heeft het ook effect gehad. Zo zou de Ghanese regering stappen moeten ondernemen om een goud- of houtverwerkingsindustrie op te bouwen. Zo'n veertig jaar geleden waren er meer goudsmeden in de straten van Accra dan nu. Nu zijn er alleen nog maar mensen nodig om het goud op schepen te laden om het te exporteren.”

In Ghana is iedereen het erover eens dat het aantal arbeidsplaatsen sinds de invoering van het structurele aanpassingsprogramma is afgenomen. Zo werden tussen 1985 en 1990 werden ongeveer 90.000 ambtenaren ontslagen. Veel Ghanese industrieën, die tot 1983 kunstmatig in leven werden gehouden maar na 1983 op eigen houtje moesten zien te overleven, gingen failliet. Voor een land met een bevolkingsgroei van rond de drie procent voorspelt dat weinig goeds voor de toekomst.

Uit officiële statistieken blijkt ook dat in de steden ongeveer de helft van de inwoners inmiddels onder de armoedegrens leeft. De 'marktgerichte' benadering van lonen en prijzen van de Ghanese overheid leidde ertoe dat de subsidies op primaire levensbehoeften als voeding, transport en de gezondheidszorg drastisch werden teruggeschroefd. In Ghana moet je een tovenaar zijn anders overleef je het niet, is een gevleugelde uitspraak in Accra.

In de hoofdstad blijkt hoe moeilijk het is voor de bevolking om het hoofd boven water te houden. Een Nederlandse hoogleraar aan de universiteit vertelt dat zijn koopkracht de laatste jaren zo is teruggelopen dat hij nog maar twee keer per week vlees kan eten. 's Zondags zitten de kerken voller dan ooit. Als de dominee van de International Gospel Church zijn gelovigen aanspoort om tot God te praten over hun problemen, zetten vele tongen zich onmiddelllijk in beweging. “De mensen hebben geen andere keus dan tot God te bidden want van de regering hoeven ze niets te verwachten”, aldus Nana Sanwu-Mensah die net van de universiteit af is en nu naar werk zoekt.

Of de Ghanese bevolking bereid is om nog lang geduld uit te oefenen, in de hoop op betere tijden, is zeer de vraag. Bij rellen in Accra tussen aanhangers van de regering en de oppositie vielen vorige maand ten minste vijf doden. “Het geduld van de Ghanezen is op”, aldus Kwame Apponsah van de vakbond TUC. “Je kunt niet steeds maar aan mensen blijven vragen om weer een stapje terug te doen. Vroeg of laat komt het hier tot een echte uitbarsting. Wacht maar af, de tijdbom tikt.”

    • Bernard Bouwman