Ex-IRT-officier Van Capelle: 'OM forceerde doorlevering softdrugs niet'

DEN HAAG, 3 OKT. Het openbaar ministerie heeft de Amsterdamse politie eind 1992 niet “geforceerd” een partij van 2.500 kilo softdrugs op de markt te laten verdwijnen in de zogenoemde Cargo-zaak.

Dit zei de voormalige IRT-officier van justitie M. van Capelle gisteren toen hij werd gehoord door de enquêtecommissie. De chef van de Amsterdamse recherche, B. Welten, zei op 11 september dat de politie niet wilde meewerken aan de doorlevering nadat Van Capelle daartoe de opdracht had gegeven.

Toen Van Capelle de getuigenis van Welten op de televisie zag, zo vertelde hij de commissie gisteren, dacht hij: Wat gek, nou. Op de vraag of Welten dan misschien niet de waarheid had gezegd zei Van Capelle: “Ik kan mij van de heer Welten niet voorstellen dat hij hier heeft zitten jokken. In zijn perceptie zal het de waarheid zijn.” Hij voegde eraan toe dat het besluit tot doorlevering gezamenlijk was genomen, zonder tegenstribbelen van de politie.

Van Capelle gaf voor de commissie toe dat hij fouten heeft gemaakt in de begeleiding van het IRT. Hij kreeg in de zomer van 1993 het gezag overgedragen van de Haarlemse officier O. van der Veen. In december van dat jaar werd het team ontbonden wegens de gewraakte opsporingsmethode in het zogenoemde Delta-onderzoek, waarbij grote hoeveelheden softdrugs op de markt verdwenen teneinde een informant te laten 'doorgroeien' naar een positie die hem in staat stelde de politie te informeren over een groot cocaïnetransport. Maar zover kwam het niet, omdat de Amsterdamse deelnemers aan het IRT geen verantwoordelijkheid wilden nemen voor de doorlevering van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen. Van Capelle zei gisteren dat het nooit zijn bedoeling was geweest met voorbedachten rade harddrugs in het criminele milieu te laten verdwijnen. Volgens hem was dat bij de politie bekend, al vond de commissie-Van Traa niets van die mening terug in de journaals van de criminele-inlichtingendienst (CID) van de politie.

Van Capelle sprak nooit met de Amsterdamse hoofdofficier Vrakking over de doorleveringen. Dat was niet nodig omdat procureur-generaal Van Randwijck Van Capelles voorganger al toestemming had gegeven voor de werkmethode. “Ik kende de opvattingen van Vrakking over deze methode niet. Maar die heb ik later wel leren kennen”, zei hij met een flinke dosis ironie in zijn stem. Hij doelde op de plotselinge opheffing van het IRT toen de werkwijze van het team bekend raakte bij de Amsterdamse 'driehoek'.

Het hoofd van de Nationale Coördinatie Politiële Infiltratie, R. Karstens, meldde de commissie gisteren dat een politieteam in het westen van het land eind vorig jaar honderd tot vijfhonderd kilogram harddrugs bewust op de markt heeft laten verdwijnen voor het onderzoek naar een drugsbende. Volgens Karstens was een procureur-generaal daarvan op de hoogte en werd de zaak besproken tot in de hoogste justitiële kringen.