Een clubfauteuil voor de professor

“Het publiek is hier erg gemakkelijk en een stuk minder veeleisend dan de gasten van de l'Europe. Dat zijn van die doorgewinterde vijfsterren-mensen. Hier zitten de gasten rustig te praten of de krant te lezen.”

De serveerster is goed te spreken over haar nieuwe werkomgeving, de Amsterdamse Academische Club. Vanaf begin september kan het wetenschappelijk personeel van de Universiteit van Amsterdam zich verpozen in een echte sociëteit. De leren fauteuils, de houten lambrizeringen, de open haard en de doos sigaren van Hajenius: alle traditionele elementen van de Engelse club zijn aanwezig. Het personeel in wit livrei, net als de dranken en spijzen afkomstig van hotel de l'Europe, maakt de sfeer van vooroorlogse chic compleet. Prof.dr. N. Frijda, voorzitter van de club: “Een sandwich heet hier een ciabatta. Ik zou eigelijk liever een bruine boterham met kaas bestellen, maar dat soort dingen moeten we nog in de vingers krijgen. We zijn tenslotte pas een maand op weg.”

Het schilderachtige pandje uit 1875 op de kop van de Langebrugsteeg, direct naast het Binnengasthuis, is door de universiteit voor acht ton verbouwd. Het halve miljoen dat vervolgens nodig was om het interieur 'een zekere waardigheid' te geven werd van de universiteit geleend. Voor dit bedrag is de voormalige polikliniek, collegezaal en behandelingscentrum voor geslachtszieken omgetoverd in het paradepaardje van de universiteit, de enige academische club in Nederland, een pleisterplaats voor wetenschappers die er voor 150 gulden per jaar 'een goed gesprek' kunnen voeren of 'in sfeer' kunnen dineren met hun buitenlandse gasten. De suggestie dat zo'n club in deze tijd geldverspilling is, spreekt Frijda niet erg aan. De voorzitter, die vanmiddag zijn zoon onthaalt: “Het imago van de universiteit kan de club prima gebruiken. Bovendien moest het gebouw toch worden opgeknapt. En we betalen de Universiteit keurig huur, 3000 gulden per maand.”

Ook de kritiek dat zo'n elitaire club niet past bij de sfeer op de universiteit pareert Frijda probleemloos: “Het elitarisme is toch juist weer enorm in zwang? Natuurlijk, het is een terugkeer naar de jaren voor '68. Maar de minister zelve gaat ons daarin voor!” Hij besluit zijn betoog met de bestelling van een rondje bosvruchtentaart.

De geestelijk vader van de club, college-voorzitter J.K. Gevers, wilde vooral de 'universitaire samenhang' vergroten door de professor in de orale microbiologie een culinair vorkje te laten prikken met zijn collega van Fins-Hongaarse taal- en letterkunde. Maar echt lukken wil dat nog niet. Frijda: “De ruim 700 leden resideren vooral bij letteren, rechten en theologie. Dat komt omdat hun faculteiten hier vlak in de buurt liggen. De bèta's van het Roeterseiland moeten de weg naar de club nog weten te vinden. Wel hebben we af en toe een clubje uit het AMC.”

Echt druk is het vanmiddag niet. In een hoekje zit een bejaarde dame met een vriendin achter de capucchino. Ze is zestig jaar geleden afgestudeerd als medica en kent alle namen van haar professoren nog van buiten. Ze is wildenthousiast, maar mist een parkeergarage onder de club. Frijda: “Ook alumni mogen lid worden, als ze tenminste zijn aangesloten bij de Universiteitsvereniging.”

Tegenover de haard, gekroond met de borstbeelden van prof. Limpberg, de grondlegger van de faculteit Economie, en van een rechtshistoricus, staat de leestafel met ondermeer de Herald Tribune, maar die is volgens Frijda in drie weken 'nog door niemand aangeraakt'. Voor het lot van het literaire maandblad de Gids waarmee de leestafel binnenkort zal worden uitgebreid, kan derhalve met recht worden gevreesd.

Alvorens zich terug te trekken bij de haard zegt Frijda: “In elk beschaafd land hebben de universiteiten een academische club. Ik ben blij dat ook ons land zich eindelijk kan scharen onder de beschaafde landen.”

    • Micha Kat