De echte heroriëntatie vindt al plaats: in het paarse kabinet

PvdA, D66 en GroenLinks ontkomen er niet aan nauwe samenwerking te zoeken. Aldus drie vooraanstaande PvdA'ers afgelopen zaterdag op deze pagina. Mark Kranenburg ziet in hun pleidooi vooral een miskenning van de Nederlandse politieke werkelijkheid.

Echt enthousiast gereageerd is er vooralsnog niet op het pleidooi van de PvdA'ers Jos de Beus, Paul Kalma en Paul Scheffer om te komen tot nauwe samenwerking tussen Partij van de Arbeid, D66 en GroenLinks. De drie auteurs zijn daarover diep teleurgesteld. Maar hadden zij iets anders kunnen verwachten?

Wat zij zouden voorstellen was al enige tijd bekend. Bij verschillende gelegenheden hadden zij reeds te vaak hun voorkeur voor progressieve samenwerking kenbaar gemaakt. Het ging dus eigenlijk om de bijbehorende argumentatie. En juist dat verhaal valt nogal tegen.

“Het is fusietijd”, aldus De Beus. Met deze woorden sloot hij aan op de inleiding van het stuk, waarin wordt gesteld dat de laatste vijfentwintig jaar een groot aantal voorbeelden van fusies en samenwerking in het bedrijfsleven, in de media en ook in de politiek heeft laten zien. Allereerst is het al curieus dat zij, die stelling wensen te nemen tegen het oprukkende economisch liberalisme, als het zo uitkomt de motieven van de markt zo gemakkelijk overnemen. Zijn politieke partijen dan inderdaad niets anders dan firma's?

Maar veel erger is dat hun stelling gewoonweg niet klopt. Er vinden weliswaar veel fusies plaats, maar al die samenwerkingsverbanden hebben een enorme produktdifferentiatie niet in de weg gestaan. Er zijn steeds minder zelfstandige Europese automerken, maar nooit was de keuze tussen verschillende types zo groot. Exact hetzelfde verhaal gaat op voor zoutjes, luiers, verzekeringsdiensten, televisie-zenders enzovoort.

Met een zelfde beroep op de hedendaagse trend zou dus een heel ander pleidooi kunnen worden gehouden. Namelijk dat politieke partijen niet moeten samenwerken, maar juist steeds meer moeten gaan differentiëren. Sterker nog, ligt het niet veel meer voor de hand dat het inderdaad die kant uitgaat?

Terecht constateren De Beus, Kalma en Scheffer dat de traditionele volkspartijen niet meer bestaan. De Tweede Kamerverkiezingen van vorig jaar kunnen worden beschouwd als de voltooiing van het al veel eerder ingezette ontzuilingsproces. CDA en PvdA leden beide een ongekend verlies.

De verzuilde kiezer was getransformeerd in de bekende zwevende kiezer. Maar misschien is 'à la carte-kiezer' een betere benaming. Eén uitglijer van het CDA over de AOW deed ruim vierhonderdduizend kiezers besluiten op een ouderenpartij te stemmen. Dat die partijen vanwege hun interne roerselen nauwelijks serieus zijn te nemen, doet niets af aan de mentaliteit van de hedendaagse kiezer. Hoe vervelend en verwerpelijk het PvdA-trio het ook mag vinden: bij een steeds groter deel van het electoraat prevaleert het (eigen) deelbelang boven het algemeen belang dat de grote partijen nog steeds zeggen na te streven. Die deelbelangen komen elkaar tegen in het midden. Vandaar dat het in het midden ook zo druk is.

De PvdA-denkers snakken daarentegen naar een samenhangende visie waarin duurzame ontwikkeling de belangrijkste taak van de economische politiek is, de verzorgingsstaat kritisch wordt verdedigd en de nadruk komt te liggen op sociale gelijkheid. Vanuit hun wetenschappelijke achtergrond is het streven naar een dergelijk totaal-concept begrijpelijk, maar weer is de vraag of het aansluit bij de werkelijkheid. Want afgezien van de vraag of een groot aantal kiezers daarvoor is te vinden, miskennen zij de keuze die de PvdA en beoogd samenwerkingspartner D66 vorig jaar hebben gemaakt toen zij instemden met de 'paarse' coalitie.

De huidige regeringssamenwerking tussen PvdA, D66 en VVD wordt in feite afgedaan als een eenmalige oprisping die verder absoluut geen invloed heeft op de partijpolitieke verhoudingen. Of, zoals zij schrijven: “Paars is vooralsnog een vluchtheuvel voor een onzekere politieke elite die samen is gedromd in afwachting van overzichtelijker tijden.” Natuurlijk is het voorstelbaar dat deze voor Nederland zo ongewone combinatie na verloop van tijd uiteen valt en alle deelnemende partijen op hun oude instincten terugvallen. Maar is het niet even voorstelbaar dat juist uit deze samenwerking op den duur vormen van partijvernieuwing zullen voortkomen?

De feitelijke situatie is in elk geval dat PvdA en D66 momenteel meer bij de VVD hebben te zoeken dan bij GroenLinks. Met de invalshoek vanuit de studeerkamer kan misschien gemakkelijk over dat 'vervelende' gegeven worden heengestapt, maar het is niet verwonderlijk dat de beroepspolitici op het Binnenhof hier toch enige praktische problemen zien ontstaan. Vandaar ook de kritische reacties.

Wil een pleidooi voor progressieve samenwerking niet in vrijblijvende abstractheden blijven steken, dan zou enige aandacht voor de consequenties toch wel op zijn plaats zijn. Nu is de teneur van het afgelopen zaterdag gepubliceerde stuk, en nog meer van de enkele weken verschenen discussienota 'De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit' van Paul Kalma, dat de PvdA zich op een heilloze weg bevindt door met de VVD samen te werken. Dat mogen de auteurs vinden, maar dit neemt niet weg dat het regeerakkoord, dat de basis vormt voor de 'paarse' coalitie, een jaar geleden met de grootst mogelijke meerderheid door het PvdA-congres is aanvaard. Maar de PvdA-leden hebben zich volgens het drietal blijkbaar toen allemaal vergist.

Ze komen zelfs even uit hun studeerkamer en worden heel concreet met het voorstel dat PvdA, D66 en GroenLinks bij de eerstvolgende Kamerverkiezingen een gezamenlijk minimum-programma moeten formuleren. “Een soort contract (enigszins naar analogie met Keerpunt '72) dat ze aan de kiezers voorleggen”, zo schrijven zij. Dat wordt nog feest bij de komende formatie! Ervan uitgaande dat de drie samenwerkende partijen ondanks hun minimum-programma geen meerderheid zullen behalen, zal er moeten worden onderhandeld met andere partijen. Daar gaat dus het contract met de kiezer!

In een coalitieland als Nederland kent een contract met de kiezer alleen maar ontbindende voorwaarden en zal dan ook vooral tot extra frustratie leiden. Want wat er gebeurt is dat de PvdA en D66 in het kader van het minimumpprogramma eerst ter linkerzijde onderhandelen omdat GroenLinks zichzelf immers ook moet kunnen herkennen en daarna, tijdens de kabinetsformatie, het totale blok naar rechts moeten zien te krijgen voor onderhandelingen met VVD of CDA. Hoezo hervorming?

Op één punt hebben De Beus, Kalma en Scheffer groot gelijk. Dat is waar zij stellen dat een vergelijking met de Doorbraak-periode van vlak na de oorlog voor de hand ligt. “Vrijzinnig democraten, bevlogen gelovigen en socialisten wisten toen een inhoudelijke heroriëntatie te combineren met een partijpolitieke herverkaveling. Voor die opgave staan ze thans opnieuw”, schrijven zij, om vervolgens uit te komen bij samenwerking tussen PvdA, D66 en GroenLinks.

Dat is de droom. De èchte inhoudelijke heroriëntatie heeft momenteel echter plaats in het sociaal-liberale kabinet. Daar wordt het verbond tussen arbeid en kapitaal dagelijks aan de praktijk getoetst. Het leidt tot voorzichtige aanzetten voor een meer marktgerichte overheid, en als spiegelbeeld daarvan een markt die niet wegloopt voor zo nu en dan collectieve verantwoordelijkheden.

Als blijkt dat deze heroriëntatie tot werkbaar beleid leidt, dan is 'paars' straks geslaagd en zitten de toeleveranciers VVD en PvdA beide met een probleem. Ze zijn het dan namelijk eens met elkaar. Op dat moment kan de partijpolitieke herverkaveling beginnen. Maar wel volgens geheel andere lijnen dan De Beus, Kalma en Scheffer voorstellen.

    • Mark Kranenburg