Afkeer van Indonesië in Oost-Timor toegenomen

JAKARTA, 3 OKT. “Daar gaan we weer”, kreunde een Indonesische diplomaat toen vorige week vijf Oosttimorezen hun toevlucht zochten in de Britse ambassade te Jakarta en asiel aanvroegen. Voor de derde maal in twee jaar drongen jongeren uit deze in 1976 door Indonesië ingelijfde, voormalige Portugese kolonie door in een Westers gezantschap. Buitenlandse Zaken heeft intussen zijn les geleerd. Reizend ambassadeur Francisco Lopez da Cruz, zelf een Oosttimorees, reageerde kalm: “Jammer, maar we zullen hen niet tegenhouden. In Engeland of Portugal zullen ze het hoogstens brengen tot schoonmaker, terwijl ze hier hun eigen streek kunnen helpen opbouwen. Ik heb de minister geadviseerd hier niet te veel aandacht aan te besteden.” Het vijftal is inmiddels onder de hoede van het Internationale Rode Kruis naar Lissabon gereisd.

Ambtenaren van Buitenlandse Zaken ervaren de kwestie-Oost-Timor als een nagel aan hun doodskist. Iedere gast van enig gewicht uit West-Europa, de Verenigde Staten, Nieuw Zeeland of Australië begint erover. Voor Indonesië, dat gezien zijn grootte en economische successen een plaats vooraan ambieert in de internationale gemeenschap, vormt Oost-Timor dè smet op het blazoen. Voor sommige landen en media is Indonesië slechts een one issue-country: het land dat Oost-Timor tegen de zin van de Verenigde Naties bezet houdt. Portugal, het voormalige moederland dat zijn kolonie in 1975 hals-over-kop ontruimde, spant de kroon. Alle Indonesische aangelegenheden die binnen de Europese Unie worden besproken, laten Lissabon koud, behalve Oost-Timor.

De taak van de Indonesische diplomatie is des te zwaarder omdat goed nieuws uit het gebied schaars is. De 'integratie' van Oost-Timor in Indonesië blijft volkenrechtelijk omstreden en is politiek op een mislukking uitgelopen. In bijna twintig jaar is bij de Timorezen de afkeer van Indonesië eerder toe- dan afgenomen.

In de eerste week van september sloeg opnieuw de vlam in de pan. Een islamitische gevangenisfunctionaris in Maliana, een stadje in het westen van Oost-Timor, liet zich laatdunkend uit over het katholicisme - ruim 90 procent van de Oosttimorezen is rooms-katholiek - waarop de gedetineerden amok maakten. Een paar dagen later circuleerden vlugschriften in de provinciehoofdstad Dili waarin het incident breed werd uitgemeten. Op 8 en 9 september trokken honderden woedende jongeren door Dili, die stenen gooiden naar winkels van immigranten uit andere delen van de archipel, een islamitisch weeshuis voor Oosttimorese kinderen aanvielen en de markt Comoro platbrandden. Leger en politie verrichtten meer dan honderd arrestaties. Op 10 september deden zich soortgelijke onlusten voor in Maliana. Daarop vluchtten enkele honderden islamitische immigranten naar het naburige West-Timor. Islamitische kranten in Jakarta repten van 'godsdiensthaat', maar de oorzaken van de spanningen zijn complexer.

In de koloniale tijd bekommerden de Portugezen zich alleen om de opleiding van hun eigen kinderen, al of niet van Oosttimorese moeders. Het handjevol scholen voor de autochtonen (destijds 98 procent van de bevolking) was het werk van missionarissen. Dili telt intussen vijftien middelbare scholen en een universiteit. Dat schept verwachtingen die vervolgens niet uitkomen. Schoolverlaters zoeken een baan in de stad, maar de enige werkgever van betekenis is het provinciale bestuursapparaat. Dat is bezet door Indonesiërs van elders en Oosttimorezen die na het vertrek van de Portugezen in 1975 de Indonesische kant kozen, en zit potdicht.

In 1986 opende in de hoofdstad Dili de Universiteit van Oost-Timor haar deuren, een particuliere instelling onder katholieke leiding. Aanvankelijk kwam de meerderheid van de studenten uit Oost-Timor. Hun opleidingsniveau bleek echter onvoldoende; velen konden het niet bijbenen en vielen uit de boot. Nu komt meer dan de helft van de ruim duizend studenten uit andere delen van Indonesië, waar de concurrentie om studieplaatsen moordend is.

De meeste Oosttimorezen leefden vanouds van zelfvoorzienende landbouw, koffieteelt en visvangst langs het strand. Oost-Timor behoort tot de armste provincies van Indonesië. Van de ruim 800.000 inwoners leeft bijna zestig procent beneden de armoedegrens; zij moeten zien rond te komen met minder dan 180.000 rupiah per jaar - dat is nog geen vijftig cent per dag. In Dili vormen de oorspronkelijke bewoners de onderste sociale laag.

Dan is er de kleine inheemse elite, die over het algemeen van gemengd Portugees-Timorese afkomst is en nog in de koloniale tijd is opgeleid. Degenen die niet zijn uitgeweken naar Portugal of Australië zijn doorgaans werkzaam in het lokale bestuur. Het gaat hier om (ex-)leden van de UDT en de Apodeti, de twee partijen die zich in 1975 verzetten tegen het onafhankelijkheidsstreven van het links-nationalistische Fretilin. De huidige gouverneur van Oost-Timor, Abilio Osorio Soares, was mede-oprichter van de inmiddels ontbonden Apodeti, die destijds ijverde voor aansluiting bij Indonesië.

Er gaapt een brede sociale kloof tussen de oorspronkelijke bewoners van Oost-Timor en degenen die zij met nauwelijks verholen afkeer pendatang ('nieuwkomers') noemen. In januari 1989 werd Oost-Timor na bijna vijftien jaar van volstrekt isolement opengesteld voor Indonesiërs en buitenlanders. Binnen een jaar tijd was het aantal immigranten verdubbeld. Bijna alle winkels en eethuizen in Dili en Baucau zijn eigendom van Chinezen of Javanen. De markt van Dili wordt beheerst door immigranten uit Sulawesi (Celebes). De meeste immigranten zijn islamieten, een minderheid (uit West-Timor) is protestant. Het aantal moslims is de laatste vijftien jaar vertienvoudigd en bedraagt nu zo'n 28.000 zielen.

Een aantal Indonesische perspublikaties van de laatste week herleidt de recente onlusten in Oost-Timor niet tot sociaal-economische frustraties, maar tot godsdienstfanatisme en zet daarbij de rooms-katholieke kerk in de beklaagdenbank. De boosdoener is bisschop Carlos Filipe Ximenes Belo. Het 'diocees Dili' is niet aangesloten bij de Indonesische rooms-katholieke kerkprovincie en valt rechtstreeks onder het Vaticaan. Rome houdt zich namelijk aan het VN-standpunt van niet-erkenning van de 'integratie'.

Bisschop Belo, nagenoeg de enige Oosttimorese leider die niet in ballingschap leeft of in Indonesische gevangenschap doorbrengt en toch groot gezag heeft onder de bevolking, wordt gewantrouwd door de Indonesische autoriteiten, maar zij kunnen niet om hem heen.

Tijdens de rellen begin september reed de bisschop door Dili om de betogers tot bedaren te brengen. In de kathedraal preekte hij tegen geweldpleging en vernieling. Belo verzet zich niet tegen de 'integratie', maar bepleit binnen het Indonesische staatsverband een grotere autonomie, die rekening houdt met de bijzondere historie, cultuur en religieuze geaardheid van het gebied. De bisschop prefereert een situatie waarin Oost-Timor wat betreft zijn economische ontwikkeling achter loopt bij de rest van Indonesië, maar zijn eigen boontjes kan doppen, boven de huidige toestand, waarin Oost-Timor met geforceerde investeringen in de infrastructuur de landelijke groeinorm volgt, maar de oorspronkelijke bevolking aan de kant staat. Belo pleit voor een overgangsperiode waarin de immigratie wordt ontmoedigd en zakelijke initiatieven van Oosttimorezen worden aangemoedigd.

Jakarta lijkt hier niets voor te voelen. Op het departement van binnenlandse zaken circuleert een voorstel om de integratie van Oost-Timor te forceren door Oosttimorese jongeren aan te moedigen om elders in Indonesië een voortgezette opleiding te volgen in de hoop dat zij emplooi vinden buiten Oost-Timor, het zuiden van de provincie te industrialiseren en de immigratie te intensiveren. Een dergelijk scenario zal gepaard gaan met nieuwe onrust, maar na verloop van jaren zal de bevolkingssamenstelling zodanig zijn gewijzigd dat Jakarta in Oost-Timor zonder risico een referendum kan uitschrijven over de status van het gebied.