Symfonie van Keuris verrassend licht

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Jack van Steen, m.m.v. Sylvie Sullé, sopraan. Programma: werken van Adams, Turnage en Keuris. Gehoord: 29/9 Dr Anton Philipszaal Den Haag.

Ongrijpbaar, verwarrend en vervreemdend: dat waren zo de trefwoorden voor een belangrijk deel van het concert in de Anton Philipszaal in Den Haag dat grotendeels was gewijd aan muziek van Tristan Keuris, die dit seizoenwordt gekoesterd door het Residentie Orkest. Het begon al meteen met het aan de ingang uitgereikte informatieblad. Dat vermeldde dat de volgorde van het programma was gewijzigd, maar verschafte vervolgens foutieve informatie, daar de werken van John Adams in een andere volgorde werden uitgevoerd.

Bij Adams' muziek zit je steeds te denken: waar ken ik dit nu van? Oh ja, Strawinsky's Petroesjka! Ook Marc-Anthony Turnage's Three Screaming Popes, - de titel is intrigerender dan het stuk - biedt verwarrende effecten. Het werk is geïnspireerd door de schilderijen van Francis Bacon die Velasquez' Portret van paus Innocentius X met vegen vervormde. Op zijn beurt vervormde Turnage renaissance-dansen, die echter door blues-achtige intonaties nauwelijks meer zijn te traceren. Het is filmmuziek á la carte: het koper blaft, de pauken roffelen, strijkers zingen.

Keuris' Symfonie in D-groot (1995) bood nog de meest vervreemdende elementen. Het is een bewerking van een vroeger sextet, met als meest opmerkelijke verandering het uit elkaar halen van een molto tranquillo uit het scherzo, zodat niet een drie- maar een vierdelig werk resulteerde. De bezetting herinnert aan Beethoven, de tertsrelaties aan Schubert, de harmoniek aan Brahms. Maar de stijl verwijst nog het meest naar Strawinsky (in de hoekdelen) en Ravel (de grote fluitsolo in het langzame deel, zij het zonder impressionistische harp).

Meestal schrijft Keuris in verzadigde klankkleuren, zwaar aangezet en boventoonrijk. Het was verrassend hoe licht en luchtig ditmaal de symfonie uitpakte, want voor Keuris is de bezetting (klein strijkorkest, pauken en slechts dubbel hout, hoorns en trompetten) bijzonder ascetisch te noemen. Zeker zo'n eerste deel klinkt meer als ballet dan als symfonische muziek.

Hoe sympathiek ook, die ascese toont tegelijkertijd Keuris' beperkingen. De symfonie klinkt lenig, maar ook leeg. De uitzondering is het sprookjesachtig verhalende begin van het molto tranquillo, dat herinnert aan de herfstige sfeer van de overrijpe Michelangelo-songs, die vijf jaar terug ontstonden en voor de pauze werden uitgevoerd. Keuris is een meester in een 'beurse' muziek en het hardgroene appeltje, waar de helder-rinzige klank van het 18de-eeuwse orkest nog het beste mee is te vergelijken, past deze componist niet.

Associaties met overrijp, laat staan rot, riep de uitvoering gelukkig niet op. Er werd met pit gemusiceerd, vooral Adams Short Rite klonk als een spitse speeldoosmuziek met de prominente blazers. Maar al had sopraan Sylvie Sullé mooie noten op haar zang, ze waren van een eenvormige schoonheid en met zeker in de laagte een fluweel-omfloerste klank: 'beurs' dus.