Ontmanteling van een tijdbom

Het huis in een Parijse voorstad ademt landelijke rust. Ik ben op bezoek bij de Engelse schrijver John Berger om zijn medewerking te vragen aan een programma voor de televisie. Op elke vraag mijnerzijds volgt een diep zuchten, een verontschuldiging 'ik ben helemaal geen vlotte spreker'. Om het zoeken naar het juiste woord te helpen grijpt hij in zijn gelaat en een langdurig kneden begint. Tijdens die hoofdmassage merk je hoe stil het in huis is.

Vooral de manier waarop hij zijn houding typeert blijft hangen: singleminded openness, een stijfkoppige poging om de volheid van het leven recht te doen. Als ik eens besefte hoe groot het voorrecht is om de woorden te vormen, te schrappen en opnieuw te beginnen, dan zou ik hem niet vragen aan een debat deel te nemen. Kleine zinnen die lang gewikt en gewogen zijn alvorens op een bladzijde met veel witregels te worden losgelaten, dat is zijn stiel.

Zijn verhalen overschrijden de grens van genres, zoals hij die zelf omschrijft. “Alle verhalen gaan over veldslagen, in wat voor vorm dan ook, die eindigen in een overwinning en een nederlaag. Alles is gericht op het eind, waar de uitslag bekend wordt. Gedichten steken de slagvelden over, ongeacht welke uitkomst, verzorgen de gewonden en luisteren naar de tomeloze monologen van wie zegeviert of angstig is. Ze brengen een soort vrede. Niet door verdoving of gratuite geruststelling, maar door erkenning en de belofte dat wat is ervaren niet kan verdwijnen alsof het er nooit is geweest.” (in: En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto's).

In zijn nieuwe roman Ten Huwelijk* is de uitslag bekend. Ninon is na een zorgeloze avond op een verlaten strand geïnfecteerd geraakt en langzaam krimpt haar horizon. Het einde is onvermijdelijk, maar Berger probeert de tijd die voortschrijdt te bezweren.

Het verhaal ontvouwt zich in het gezelschap van twee reizigers. De gescheiden moeder en vader van Ninon zijn op weg naar het huwelijk van hun dochter in een dorpje op de Po-vlakte. De één komt met de bus uit Bratislava, de ander met een motor over de Franse Alpen. Zo komen we kris-kras door elkaar verteld de geschiedenis van hun leven op het spoor.

Ondanks de ziekte die haar heeft getroffen, zal Ninon trouwen en het huwelijksfeest is een hoopvol gebaar tegen de aangekondigde dood. Het is een teken van gemeenschap tegen uitsluiting: “De vrouwelijke gasten op hun paasbest en de mannelijke met hun schoenen van het zachtste leer zitten of slenteren of hangen onderuit rond de tafel in de boomgaard, en toch draaien ze allemaal in een baan om de bruid. Ze laat hen niet los, of laten ze haar niet los?”

Iedereen die wel eens iets van John Berger heeft gelezen weet dat de ontwrichtende werking van de moderne tijd een essentieel thema in zijn werk is. Zo brengt de trilogie Vrucht van hun arbeid het leven op het platteland en de trek naar de grote stad in kaart. Daarbij put hij ook uit de overgeleverde verhalen in zijn naaste omgeving. Berger woont sinds begin jaren zeventig het grootste deel van zijn tijd in de Franse Alpen.

De omgang met tijd in een boerengemeenschap ver weg in Europa is een andere dan die welke het moderne, stedelijke leven beheerst. Tegenover het geloof in vooruitgang staat een besef van de wederkeer van seizoenen. Berger probeert de herinnering aan die overlevingscultuur vast te houden. Want wie meent dat een geschiedenis van duizenden jaren ons niets meer te zeggen heeft, “die loochent de waarde van te veel geschiedenis en van te veel levens”.

Berger is geen romanticus, want hij ziet heel goed hoe bijvoorbeeld door ontvolking van het platteland het moderne patroon van samenleven zich opdringt. “Als ze eenmaal het dal uit zijn, ver van het water van onze blauwe rivier, is er niets ter wereld waarop ze kunnen rekenen of vertrouwen. Noodgedwongen worden ze als de vos of de haas.” De ontheemding staat hem helder voor ogen, en soms geeft hij ruimte aan een verlangen naar vroeger: “Met woorden kan alles opnieuw gebeuren, zoals in het verhaal dat ik vertel, maar ze veranderen niets aan wat er gebeurd is.”

De losmaking van mensen van de plaats waar ze generaties lang zijn opgegroeid maakt het moeilijker om zich een gemeenschap voor te stellen. Tegelijk verwijst de tragische kant van het bestaan naar een tijdsbesef, dat in het teken staat van wederkeer. Hoe kan in een cultuur die continuïteit ontbeert een plaats aan de doden worden gegeven?

In Ten Huwelijk zoekt Berger naar een omgangsvorm met onze eigentijdse pest. Het gaat in deze roman om de ontmanteling van een tijdbom: de aangekondigde dood moet met verhalen worden omgeven. Zo ontstaat ruimte voor “de erkenning en de belofte dat wat is ervaren niet kan verdwijnen alsof het er nooit is geweest”. Een adempauze, een witregel - ze onderbreken de galop van de tijd.

Het boek eindigt in een omhelzing: de dans van de pas gehuwden omcirkelt de beelden van het oprukkende verval. “Het zwaarst is niet dat we ter dood veroordeeld zijn. Het zwaarst is hoe oud we worden. Ik loop als een oude man. Ik hijs mezelf de trap op als een oude man. Als een grijsaard grijp ik naar mijn maag. Luister naar me en doe je mooie ogen dicht, Ninon. Een oude dwaas van tachtig zou je zeggen, die niet uit zijn woorden kan komen. Tussen lente en herfst worden we vijftig jaar ouder.”

Net zoals in de bundel Stemverheffing loopt Ten Huwelijk uit op een religieuze vraag. Berger probeert het afscheid van de geschiedenis als verhaal van vooruitgang niet te laten verzanden in een voorspelbaar cultuurpessimisme. Daarbij leunt hij tegen religieuze voorstellingen aan. Het is niet voor niets dat hij voortdurend spreekt over het “bovennatuurlijke” als plaats waar de moraal zetelt. Hij zoekt naar woorden voor “een mededogen dat van geen onverschilligheid wil weten en niet verenigbaar is met een gemakkelijk soort hoop”.

De hoofdmassage is teneinde. Berger heeft uitgelegd waarom de improvisatie van een gesprek voor televisie hem niet ligt. Samen met zijn vrouw zijn we naar een film geweest over het Russische platteland: vrolijke oproer, dronkenschap en onbeantwoorde liefde. We staan buiten op het trottoir van een drukke boulevard. “It was ..... it was .....”, een lange stilte waarin het zoeken naar woorden die niet worden gevonden, “what do you think?”. John Berger kijkt me aan met een onbevangen blik waarop je alleen maar jaloers kan zijn. Wat ik van de film denk? Ik weet het niet, zijn aarzeling heeft mij de lust voor grote woorden even benomen. “Woorden uitgesproken dan wel verklankt van binnen, voegen toe en nemen weg, ongeacht de omstandigheden. Ze zijn altijd misplaatst, want ze passen nooit.” * To the wedding verschijnt half oktober in een Nederlandse vertaling van Sjaak Commandeur onder de titel Ten huwelijk.

    • Paul Scheffer