Met déze drugsnota neemt overlast niet af

Tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer over de begroting werd met geen woord gerept over de, nog geen week daarvoor uitgebrachte drugsnota van de regering. Dat is opvallend, gezien de actuele problematiek rondom drugs zoals de IRT-affaire, de overlastproblemen in Rotterdam en de buitenlandse kritiek.

Het lijkt alsof er op voorhand een defaitistische vorm van consensus over de nota is: de marges zijn klein, het buitenland kijkt over onze schouders mee, meer zit er helaas niet in.

De berusting mag terecht zijn als het gaat om de legalisering, maar niet als het gaat om de uitvoering van drugsbeleid. Er staan zaken in de nota die zich wel degelijk lenen voor een kritische beschouwing.

De regering constateert dat de overlast die de burger ervaart door de drugsproblematiek een van de belangrijkste complicaties is in het overigens succesvolle drugsbeleid. Daarom draagt de nota ook in sterke mate het stempel van overlastvermindering.

De nota kondigt aan dat de aanpak van de rond 5.000 criminele en overlast overoorzakende drugsverslaafden de allerhoogste prioriteit krijgt. Maar de manier waarop dat gebeurt is onvoldoende en allerminst consequent.

Volgens de nota komen er op korte termijn 500 nieuwe gevangeniscellen beschikbaar voor delinquente verslaafden. Daarnaast wordt het aantal zogenaamde drugsvrije cellen verhoogd van 200 tot 620. Doelstelling van de drugsvrije cellen is om verslaafde delinquenten na of nog tijdens de detentie voor te bereiden op en te plaatsen in een hulpverleningsvoorziening. Men moet zich daarvan niet al te veel voorstellen: gedetineerden die kiezen voor een drugsvrije cel krijgen wat extra begeleiding van bewakingspersoneel en maatschappelijk werkers zonder dat er echt sprake is van een consequent en op verandering gericht regime. Het succes van deze drugsvrije cellen hangt meer samen met de gemotiveerdheid van dat personeel dan van de door justitie gegeven ruimte om verslaafde delinquenten intensief te motiveren.

Tenslotte kondigt de nota een soort rijkswerkinrichting in Rotterdam en Amsterdam aan. Hiervoor is een wetsaanpassing nodig die de rechtspositie van de verslaafde aantast, nog even los van de mislukking die we al eerder zagen met dit soort voorzieningen die een paar jaar geleden nog “Lubbers' kampementen” heetten.

Op dit moment bestaat de populatie in de Nederlandse gevangenissen, met een celcapaciteit die tot 1999 groeit van 8.000 naar 13.000, voor ruim 50 procent uit drugsverslaafden. De nota biedt voor slechts 10 procent van de gedetineerde drugsverslaafden een speciale aanpak. Mag hiervan nu echt zo'n sterk effect worden verwacht op de vermindering van overlast en drugscriminaliteit? Wat een gemiste kans!

De detentieperiode is voor de gedetineerde een tijd van verveling en maatschappelijke stilstand. Wat ligt er meer voor de hand dan juist in gevangenissen tijdens de detentie deze tijd nuttig aan te wenden door echt op grote schaal een veel intensiever programma aan drugsverslaafden aan te bieden gericht op de stabilisering of behandeling van de verslavingsproblematiek en gericht op resocialisatie met reële perspectieven voor de gedetineerde verslaafden op bijvoorbeeld een baan?

Is het verstandig om steeds maar weer het aantal cellen uit te breiden zonder in die cellen speciale aandacht te besteden aan de achtergrond van het criminele gedrag en zonder daar te proberen om aan gedetineerden gestructureerde kansen op een ander leven te bieden?

Wij weten dat bijna alle gedetineerde drugsverslaafden na de detentieperiode recidiveren in crimineel gedrag. Elke beperking van die recidive betekent beperking van de overlast en een nieuwe kans voor een verslaafd individu. Voor de uitvoering hiervan kunnen speciale afdelingen of gevangenissen worden gemaakt die marginaal duurder zijn dan de huidige gevangenissen. Justitie werpt tegen dat gevangenissen bestemd zijn om te straffen en niet om te behandelen. Maar waarom zou je kiespijn en blindedarmontsteking wel in de gevangenis laten behandelen en verslaving niet? En zeker als dat een preventieve werking heeft wat toch ook de doelstelling is van een strafrechtsysteem.

Zoals de plannen er nu liggen - marginale begeleiding in de gevangenissen, na de straf doorzenden naar de reguliere verslavingshulpverlening - ontstaat het risico dat die voorzieningen de geplande toestroom van drugsverslaafden nauwelijks kunnen verwerken en verstopt raken. Daardoor zullen niet-delinquente verslaafden geen toegang kunnen krijgen tot de hulpverlening, een situatie die nu al bijna bestaat. En het aantal niet-delinquente, geen overlast veroorzakende drugsverslaafden is nog altijd 20.000. Hiervoor werkt de nota nauwelijks plannen uit. Als die groep verwaarloosd wordt, ontstaat daar weer een nieuwe generatie overlastveroorzakers. Dan werkt het beleid als een boemerang tegen zich zelf.

Het is goed dat de nota behandeling als alternatief voor straf wil creëren en in de gevangenissen meer aandacht wil voor drugsproblematiek. Maar dat gebeurt zó mondjesmaat en aarzelend, dat van dit beleid geen beperking van de overlast te verwachten is. Voordat vormen van dwangbehandeling ook maar overwogen worden dienen eerst de bestaande, voor de hand liggende kansen in de gevangenissen benut te worden. Dat kan zonder de rechtspositie van de verslaafde geweld aan te doen.