Geloofwaardigheid van politie en justitie is in geding

Achter het op de markt brengen van drugs door politie en justitie is volgens politiecommissaris Wim Broer een machtsstrijd gaande, waarin de betrokkenen het dikwijls niet zo nauw nemen met de waarheid. Inzet is de zeggenschap in het nieuwe politiebestel.

Politie en justitie hebben al bijna twee jaar voor affaires gezorgd die de gemoederen fors bezighouden. Nu de commissie-Van Traa bezig is met de openbare verhoren lijkt er gaandeweg een tipje van de sluier te worden opgelicht, maar tegelijkertijd blijven er nog veel vragen over.

Dit wordt vooral veroorzaakt door de conflicten die woeden tussen de hoofdrolspelers. De discussie over de gehanteerde methoden komt daardoor in een ander licht te staan. Zij vormt slechts de buitenkant van het probleem. Het echte probleem zit dieper en betreft een prestigeslag om geschonden imago's te herstellen, alsmede een machtsstrijd om invloedssferen te versterken. Voor de publieke beeldvorming lijkt het te gaan om de zondebok: als die is gevonden is het probleem opgelost.

Allereerst dient wat betreft de waarneming van de feiten onderscheid te worden gemaakt in subjectieve en objectieve waarnemingen. Hoewel volstrekte objectiviteit niet mogelijk moet worden geacht, kan er zonder overdrijving worden geconstateerd dat de subjectiviteit van de beschrijvingen van alle betrokkenen wel een erg zwaar accent heeft gekregen.

Dit heeft te maken met twee omstandigheden. Allereerst het onvolledige zicht op de feiten als gevolg van de geheimhouding die is nagestreefd. Ten tweede geldt dat de betrokkenen vergaande belangen hebben, met als gevolg dat er ook veel desinformatie - bewust en onbewust - naar buiten is gebracht.

Bij medewerkers van het Openbaar Ministerie en de politiedepartementen - die wat verder van de materie afstaan - is een rondzing-circuit op gang gekomen waarin feiten, halve feiten, misvattingen en veronderstellingen in een onontwarbare kluwen de ronde doen. Op weer grotere afstand heeft de verslaglegging van de feiten in de media tot gevolg gehad dat er door het grote publiek wordt geredeneerd: “Waar rook is is vuur”, ofwel: er zal wel het nodige mankeren aan de wijze waarop politie en justitie de misdaad bestrijden. Gelet op het beeld dat langzamerhand kan worden gevormd was daar ook wel aanleiding toe.

Dit neemt niet weg dat er nog veel misvattingen zijn. De onzuivere beeldvorming van de afgelopen maanden culmineerde in de uitgelekte mededeling van de minister van justitie betreffende de door de Rijksrecherche geraamde hoeveelheid drugs (100 tot 400 ton) die via de gewraakte methode van “gecontroleerde doorlevering” door het korps Kennemerland op de markt zouden zijn gebracht. Het ging echter om een ruwe raming van de leiding van de Rijksrecherche over een periode van vier jaar in geheel Nederland. In dat verband kan worden gemeld dat in alle trajecten waarbij de criminele inlichtingendienst (CID) van de politie Kennemerland betrokken was in totaal 45 à 50 ton softdrugs tot de markt zijn toegelaten.

Op een tweede niveau van de discussie dient een onderscheid te worden gemaakt in een formeel en een moreel aspect. Uit de publieke verhoren die tot nu toe hebben plaatsgehad komt een verbrokkeld beeld naar voren. Enerzijds blijken hooggeplaatste autoriteiten weinig zicht te hebben gehad op de frontlinie van de opsporingspraktijk, anderzijds kan worden gesteld dat veel acties wel zijn afgedekt door formele goedkeuring van het Openbaar Ministerie.

In Kennemerland is de in het geding zijnde methodiek van gecontroleerde doorlevering en de daarbij behorende maatregelen aan de orde geweest in diverse overlegsituaties. Een krachtdadig opsporingsbeleid was kennelijk het doel dat de middelen heiligde. Achteraf kan worden gesteld dat er te nonchalant is voortgebouwd op een maatschappelijke discussie over misdaadbestrijding die door de politie als belanghebbende partij krachtig werd gevoed.

De exacte hoeveelheid zal in het Rijksrecherche-onderzoek moeten worden vastgesteld. Het lijkt er steeds meer op dat het meer dan een druppel op een gloeiende plaat is geweest, omdat de methode op verschillende plaatsen is gehanteerd, terwijl er geen sprake was van landelijke coördinatie. De linkerhand wist niet wat de rechterhand deed.

Een rechtsstaat vergt echter dat niet alleen formele, maar ook morele vragen worden verbonden aan de bevoegdheden die aan de politie zijn toegekend. Dat betekent onder meer dat een gegroeide praktijk van gecontroleerde doorlevering van drugs moet worden afgezet tegen de hoeveelheid drugs die in onze samenleving naar schatting wordt ingevoerd of doorgevoerd.

De morele beoordeling van de feiten lijkt pas aan bod te kunnen komen als het eindrapport van de commissie-Van Traa op tafel ligt. In dat verband is het wel legitiem om na te gaan in welke mate de gestelde doelen ook daadwerkelijk worden bereikt als gevolg van een bepaalde methode. Daarbij gaat het om het vraagstuk van de proportionaliteit en subsidiariteit. Opmerkelijk is dat tot nu toe weinig over de behaalde resultaten naar buiten is gekomen. Het zou de formele beoordeling van de feiten een stuk gemakkelijker maken.

Wat dat betreft schort het nogal aan een positieve pr, mede als gevolg van de subcultuur van geheimzinnigheid die in CID-kringen wel erg sterk ontwikkeld is. Het slagveld overziende kan echter wel worden gesteld dat er de laatste jaren een groot aantal grote onderzoeken is afgerond met een (vermeende) opheldering. Lang niet altijd leidde dat echter tot een veroordeling van de daders, omdat de verdediging op bewijstechnische gronden bleek te kunnen scoren. Wat betreft het IRT kan worden gesteld dat succes in een drietal trajecten tegen de “erven Bruinsma” vlak voor de eindstreep is doorkruist door de opheffing van het team.

Met vergaande opsporingsmethoden in een criminele markt waar grote winsten worden gemaakt worden grote risico's gelopen. De bedreiging die daaruit voortkomt heeft twee kanten. Enerzijds het zeer reële gevaar van corruptie, omdat er in een branche waarin tienduizenden mensen werkzaam zijn altijd wel een paar mensen te vinden zijn die zwichten voor het grote geld. Anderzijds brengt een gedreven wil om succesvol te zijn met zich mee dat voorschriften en bevoegdheden worden opgerekt.

In Kennemerland geldt inmiddels als leerpunt dat de aansturing door de korpsleiding omissies te zien heeft gegeven. Al te vaak was er sprake van een “één-tweetje” van een operationeel recherchechef en een officier van justitie. Dit alles heeft er toe geleid dat korpsleidingen onvoldoende op de hoogte waren van de gehanteerde methoden. Inmiddels zijn er maatregelen genomen om de aansturing op het gewenste niveau te krijgen en de uitvoering van aangescherpte procedures te voorzien.

De derde invalshoek betreft de betekenis van de feiten. Ook hier een onderscheid in twee aspecten: een journalistiek en een sociologisch (of criminologisch) aspect. Wat betreft de gevolgen op het journalistieke niveau is uit tal van publikaties gebleken dat er regelmatig is gelekt naar de media. Opmerkelijk was bijvoorbeeld dat enkele Amsterdamse kranten bij herhaling met “onthullingen” kwamen waarin feiten, veronderstellingen en aperte onjuistheden waren samengevoegd tot een smeuïg verhaal waaruit zou moeten blijken dat de CID Kennemerland in vergaande mate gecorrumpeerd was.

Het gevolg van een en ander is dat er binnen de overheid verdeeldheid is gezaaid. Aan politiezijde uit zich dat in rivaliteit en competentieconflicten tussen korpsen die zouden moeten samenwerken; tussen politie en Openbaar Ministerie is wantrouwen ontstaan nu er wordt gezocht naar een nieuwe machtsbalans.

Inmiddels lijkt de georganiseerde misdaad goed garen te spinnen bij deze verdeeldheid. Onderzoeken worden gestopt of stranden bij de rechter omdat de grenzen in het methodische schemergebied opeens veel strakker worden getrokken. Gewiekste advocaten maken daar gebruik van. Er is zand in de verkeerde machine gegooid; zand dat er vooralsnog nog niet is uitgespoeld.

In het bovenstaande is het fenomeen op drie niveaus besproken. De problematiek is te complex en de reikwijdte te groot om nu al tot afrondende conclusies over te gaan. Maar de geloofwaardigheid van de veiligheidsdiensten is er zeker niet groter op geworden.

Ondertussen dringen zich wel enkele voorlopige conclusies op. Het is niet alleen een kwestie van morele zuivering die nu haar tol eist, ook andere belangen spelen een rol. Immers, de IRT-affaire en de CID-kwestie kunnen niet los van elkaar gezien worden. De CID-kwestie dient te worden beschouwd als een tweede ronde van de machtsstrijd achter de opheffing van het IRT.

Uiteindelijk gaat het om een prestigeslag tussen politiechefs die met elkaar in conflict zijn geraakt. Achter dit conflict gaat tevens een machtsstrijd schuil tussen de driehoekspartners (bestuur, Openbaar Ministerie en politie) over de formele en feitelijke zeggenschap in het nieuwe politiebestel.

Laten we hopen dat de conflicten door een overtuigende rapportage van de commissie-Van Traa kunnen worden beslecht. Dat zal afhangen van de mate waarin tegenwicht wordt geboden aan het “zwarte-pieten” door de verschillende partijen, dat nu hoogtij viert.

Ten slotte kan het geen kwaad er aan te herinneren dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad slechts één van de taken van de Nederlandse politie is. Niet meer dan 10 procent van de capaciteit wordt daaraan besteed. Dat betekent dat 90 procent van het apparaat andere taken uitvoert die ervoor moeten zorgdragen dat Nederland veilig en leefbaar is. Deze taken komen na een ingrijpend fusieproces - ondanks alle commotie - steeds beter uit de verf.

    • Drs. Wim Broer
    • Lid Korpsleiding Regiopolitie Kennemerland