Digitale merels en analoge spreeuwen

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag kijken we naar drie grasveld-lopers.

De opvatting dat vogels voor de lol zingen is inmiddels wel de wereld uit. Maar voor een klein deel zou ze best terug mogen komen. Zingen dient om partners te lokken en territoriumvlaggen uit te zetten. Het is dus functioneel gedrag. Maar wordt zulk nuttig gedrag altijd op kil berekende wijze uitgevoerd? Dat is onzin. Het handige trucje van de evolutie is nu juist dat nuttig gedrag op zich al vaak bevredigend is. Voor sommige vogels lijkt het zingen een actie met zijn eigen beloning.

De spreeuw is zo'n vogel. Hij zingt ook buiten het broedseizoen, op een warme nazomerdag of een stralende winterdag. Met omhoog gerichte snavel en half open gehouden en klapperende vleugels lijkt hij in trance te verkeren. In rap tempo brengt hij een enorm scala aan kwetterende en fluitende geluiden voort. Met zijn imitaties brengt hij ook het geluid van poldervogels in de stad. Nabootsing van minder weidse geluiden gaat hem ook goed af. Spreeuwen volgen geluidsoverlast in de openbare ruimte op de voet en beheersen nu ook het auto-alarm.

Na de najaarsrui zijn de dieren wit gespikkeld, de vrouwtjes het opvallendst. Tegen het voorjaar zijn de gespikkelde veerpuntjes afgesleten en is het verenpak effen: donkerblauw-zwart, met glanzende metaalkleuren en bruine randjes aan de vleugelveren. Met zijn spitse kop en van voren afgeronde en achter strak gesneden vleugels schiet de vogel door de lucht als een speerpunt. Spreeuwen struinen in groepsverband grasvelden af, zoekend naar insektelarven. Of ze maken met veel kabaal ruzie om een klokhuis of broodkorst. Spreeuwen hippen niet, maar stappen. Op een klein oppervlak doen ze dat onhandig. De spreeuw is de enige vogel die weleens achterover van een voedertafel valt.

In najaar en winter zoeken de vogels massaal gemeenschappelijke slaapplaatsen op. In Rotterdam slapen spreeuwen graag aan de Coolsingel. De bomen daar bieden niet alleen uitstekende zitjes maar ook lampjes die de bijeenkomsten feestelijk bijlichten en bovendien voor extra warmte zorgen. Van slapen komt weinig; tot diep in de nacht wordt doorgekwetterd.

De merel wordt vaak met de spreeuw verward. Dat is onnodig. De merel is iets groter, heeft een ronder model, langere staart en beschikt over grote ogen. Het mannetje is zwart, met een contrasterende oranjegele snavel en oogring. Het vrouwtje is effen donkerbruin, met een vaag gespikkelde keel en borst. Bij ieder spoortje van opwinding staat de merelstaart in een hoek naar boven; de vleugels hangen vaak af zodat de punten duidelijk onder het lichaam afsteken. Het mannetje overdrijft die houding vaak. Direct na een landing steekt de gespreide staart nog geruime tijd als een remparachute omhoog.

De merel is een digitale vogel. Hij doet iets, met vaste intensiteit, of hij doet helemaal niets. Hij hipt in etappes, af en toe verstarrend met scheefgehouden kop of sjorrend aan een veerkrachtige worm. Een spreeuw is ononderbroken bezig, bedrijvig stappend en pikkend. Bij een spreeuw kun je je voorstellen dat hij loopt te neuriën. Die illusie is bij de merel uitgesloten - die is zeer terzake op jacht.

De in ronde tonen gefloten zang is maar één merelgeluid. Bij onraad laat de merel een schel 'tsjink' horen; het vallen van de winterse nacht beschouwt hij als onraad. De merel is ook de vogel die in het vakantiebos de indruk wekt dat je grof wild gaat ontmoeten. Bij het voedselzoeken smijt hij met veel kabaal bladeren links en rechts. Voorzichtige besluiping levert het geluid van een vluchtende merel op: een hysterische riedel.

Spreeuw en merel zijn in de stad overal te zien. Een derde grasveld-loper is de zanglijster, een naaste verwant van de merel. Met zijn voorkeur voor oude tuinen en parken is hij vooral te vinden in de wat sjiekere stadsdelen. Maar zijn zang draagt zo ver, dat hij ook het gemoed verlicht van de bewoner van een scheve etage met beschimmeld behang. Alle lijsters zingen, maar de zanglijster - zwart gespikkeld op witte buik en geelwitte borst, van boven egaal bruin - verdient zijn naam. Hij brengt een lied van minstens vijf minuten. Luide muzikale strofen met bebop-swing lardeert hij met jubelkreten en imitaties.

De zanglijster is in zijn motoriek bij het voedselzoeken erg merels. Hij eet naast wormen en vruchten ook huisjesslakken. Die slaat hij met de snavel stuk op een speciaal daarvoor bezochte steen of stoep. Onopvallend gaat het slecht met deze vogel, door indirecte vergiftiging. Zijn geliefde huisjesslakken worden in tuinen nog vaak met chemie bestreden.

Speciale stadsrisico's: grindtegels. Veel mensen in de stad verlangen naar een tuintje en wanneer ze dat eenmaal hebben maken ze er een trottoir van. Een nieuw territorium moet eigen gemaakt worden, het liefst door stevige klussen die een weekend aangenaam vullen. Enkele verhuizingen in de buurt kunnen het voedselgebied van een paartje merels tegenwoordig halveren. Dit is een tijdelijke situatie: onontkoombaar treedt binnenkort het omgekeerde proces in. Want het verwijderen van tegels uit de nieuwe tuin is ook bevredigend.

    • Frans van der Helm