De zonderlinge tippelingen van Kees Dudok de Wit

De Oud-Hollandse poffertjeskraam van J. van der Steen staat t/m zo 22 okt. op de Markt in Breukelen. Ma 2, di 3 en do 5 okt. worden scholieren op poffertjes getrakteerd. Vr 6 okt. om 16u30 is er een kranslegging bij het beeldje van L.C. Dudok de Wit in het park Boom en Bosch en za 7 okt. zijn er Dudok de Wit-wandeltochten (afstanden 5, 10, 20 en 30 km). Inl 03462-60900 (Gemeente Breukelen, afd. Voorlichting).

Elk jaar begin oktober trakteert de burgemeester van Breukelen de schooljeugd op poffertjes. Op die manier houdt Breukelen de herinnering levend aan een zonderlinge Breukelaar: Leonard Corneille (Kees) Dudok de Wit (1843-1913), beter bekend als Kees de Tippelaar. Die naam verwierf hij door zijn lange wandelmarsen ('tippelingen').

Het poffertjesfestijn wordt betaald uit het zogeheten L.C. Dudok de Wit's Fonds dat door de burgemeester wordt beheerd. Bij zijn dood liet Dudok de Wit een legaat na waarin was vastgelegd dat de Breukelse schooljeugd op zijn verjaardag op 3 oktober 'een aangename feestdag' moest worden bezorgd.

Kees Dudok de Wit was een clochard, op het eerste gezicht. Een landloper die gekleed ging in het sjofele jasje van zijn dode vriend en voorbijgangers om geld, eten, drank of een slaapplaats vroeg. Hij hoefde niet te bedelen, want hij was steenrijk. Maar hij deed zich het liefst voor als iemand die hij niet was.

Al als kind had Kees geen zin om te werken. Dat hoefde ook niet als telg van een rijk Amsterdams koopmansgeslacht. Het familievermogen was opgebouwd door nazaten van een textielwerker die als een soort economische vluchteling in 1595 vanuit Noord-Frankrijk naar de Noordelijke Nederlanden was gekomen, Jean Pasquier Le Blanc (De Wit).

Eén van diens nakomelingen, Abraham III de Wit diende in de West-Indische Compagnie en is tevens de stichter geweest van de buitenplaats Slangevecht aan de Vecht in Breukelen, waar Kees Dudok de Wit het grootste deel van zijn leven zou verblijven. De zoon van Abraham III, Isaac de Wit, werd makelaar in suiker en trouwde met Margaretha Dudok. Door een Koninklijk Besluit van 16 april 1816 mocht zij haar familienaam toevoegen aan die van haar man, waardoor hun nazaten voortaan de naam Dudok de Wit kregen. Met de Hilversumse architect Willem Marinus Dudok bestaat slechts een verre verwantschap.

Kees Dudok de Wit moest de koopmanstraditie van zijn familie voortzetten. Maar het saaie kantoorleven stond hem niet aan. Daarom mocht hij eerst op reis gaan naar Nederlands Oost-Indië om kennis te maken met de suikercultuur. Op 28 maart 1865 vertrok de 'Baltimore' uit Den Helder. De zeiltocht voerde via Madeira, Kaap de Goede Hoop en Amsterdam Island naar Soerabaja op Java, waar Kees 24 juni 1865 arriveerde. Eenmaal aan wal liet hij zijn familie weten dat hij voorlopig geen zin meer had in Nederland.

Dudok de Wit reisde naar Timor, de Molukken en Celebes en legde een voettocht af in de lengterichting van Java. Zijn reizen heeft hij in mooie tekeningen vastgelegd. Maar de reis naar de Oost was hem niet genoeg. Dus scheepte hij zich in voor Singapore om vervolgens via Saigon naar China, Japan en de Verenigde Staten te reizen. Geliefd reisdoel in Amerika, dat hij later nog twee keer zou bezoeken, was Brooklyn (Breukelen). Na Londen en Parijs keerde Kees terug naar Amsterdam (30 juni 1867). Daar hield hij in het Paleis van Volksvlijt lezingen over zijn wereldreis. Hij besloot zich definitief op het buitenverblijf Slangevecht aan de Vecht te vestigen.

Ook vanuit Breukelen ondernam hij vele 'tippelingen': zo ging hij vaak te voet naar Amsterdam, Baarn of Apeldoorn, of zelfs naar Antwerpen, Parijs en Wenen. In het buitenland werd hij opgewacht door de plaatselijke pers. Zijn laatste lange tippeling was naar Bergum in Friesland (1907). Als schoeisel droeg hij leren pantoffels die hij zijn leven lang bewaarde. Door zijn tippelingen werd Kees een van de grondleggers van het lange-afstandswandelen en van de vierdaagse wandelmarsen. Hij was een sportieve man, die dagelijks een bad nam in de Vecht. Zelfs in de winter als er ijs lag. Dan liet hij zijn bediende een bijt hakken.

Maar Dudok de Wit - inmiddels bekend als Kees de Tippelaar, een naam die hij dankbaar overnam - was ook een eenzaam man. Hij hield van mensen en feesten; op zijn landgoed was iedereen welkom. Arme mensen die bij hem aanklopten of bedelbrieven stuurden werden door hem financieel gesteund. Hij had een terras op Slangevecht en als er wandelaars langskwamen, bestelden ze drank omdat ze dachten dat het een café betrof. Kees nam dan snel de rol van kelner aan en serveerde. Als de mensen wilden afrekenen, kregen ze te horen dat dat niet hoefde. “U was te gast bij Dudok de Wit, Heer van Slangevecht”, zei hij dan.

Tijdens zijn reizen had hij vele mensen leren kennen waarmee hij uitvoerig correspondeerde. De prentbriefkaarten die hij daarvoor ontwierp vormen nog steeds een geliefd verzamelobject. De adresseringen hadden de vorm van een rebus. Voor de postbode was dat kennelijk geen probleem, de meeste kaarten bereikten tenminste hun bestemming. Jaarlijks organiseerde Kees dan ook een borrel voor een delegatie van postbeambten. Opvallend was zijn schrijfwijze, bijvoorbeeld: 1s, 2dracht, 3bergen, verjaardag4en, pr8tig, veron8zaamd en toege9.

Als Kees geen bezoek had, trok hij zich terug in zijn werkkamer waar hij knutselde in zijn 'vrije uren'. Ook was hij vaak te vinden in zijn kas, want hij vond het leuk om gekke groenten, vreemde vruchten en exotische planten te kweken. Verder was hij dol op dieren. Hij had katten, honden en een paard. Op het dierenkerkhof in de tuin van Slangevecht hield hij serieuze ceremonies als er dieren moesten worden begraven.

Door zijn reizen had Kees zoveel snuisterijen en curiosa verzameld dat hij besloot tot de oprichting van het Museum voor Land- en Volkenkunde (1890). Helaas werd het museum na zijn dood in 1915 geliquideerd, veel voorwerpen raakten zoek. Ook landschapstekeningen gingen verloren evenals de door hem gemaakte huisnijverheidsprodukten.

In Breukelen organiseerde Kees ook allerlei evenementen: wandel-, atletiek-, voetbal-, wieler- en viswedstrijden, concerten, variété-avonden en volksfeesten. Op de volksfeesten werden spelletjes gedaan als ringsteken, mastklimmen, turfrapen, zaklopen, stroophappen en pollepel met ei.

Zijn liefde ging uit naar kinderen: op Slangevecht hield hij poppenkastvoorstellingen, waarbij hij kinderen trakteerde op limonade en koekjes. Of hij ging met de Breukelse jeugd een dagje naar Artis. In Amsterdam bezochten ze ook het Panopticum (opgeheven in 1919) aan de Amstelstraat of het Panorama (opgeheven in 1935) aan de Plantage Prinsenlaan (sinds 1963 Plantage Westermanlaan geheten). Verder deden ze het Paleis op de Dam of het Rijksmuseum aan. Eenmaal terug in Breukelen fêteerde Kees de jeugd op poffertjes. Daartoe had hij de familie Van der Steen overgehaald om hun Oudhollandse poffertjeskraam vanuit Bussum naar Breukelen te laten komen. De inmiddels 150-jaar oude poffertjeskraam van Van der Steen bestaat nog steeds. De jaarlijkse traditie wordt tot op de dag van vandaag voortgezet.