Burger-informanten in het criminele milieu verschaffen de politie inlichtingen; 'De problemen bij de politie beheersten de gesprekken'

“Ik werd door de politie in een gokhuis geparachuteerd. De eigenaar ervan had ik ooit in het buitenland ontmoet. De politie zorgde ervoor dat ik hem in Nederland weer toevallig tegenkwam. Ze wisten dat die goktent een soort clubhuis voor criminelen was. Van daaruit werden deals beklonken en drugstransporten voorbereid.”

Volgens de veertigjarige Maarten zat er begin jaren tachtig niemand zo dicht bij het vuur als hij. Hij genoot als manager van het gokhuis vertrouwen en moest de vreemdste klusjes doen, vertelt hij. “De klanten hadden bijvoorbeeld recht op hun coke en die moest ik op vaste plekken in de zaak verstoppen.”

Terugziend op zijn werk vraagt Maarten zich af of alles wat hij op instigatie van de politie deed wel door de beugel kon. “Wat er in die tijd allemaal kon, voor mij lag dat vaak tegen uitlokking aan. Of ik moest uitvissen of er mensen waren die geïnteresseerd waren in gestolen goud. Had ik beet, dan liet de politie soms wel twintig gouden horloges verdwijnen. 'Om te zien wie er allemaal bij betrokken waren', zeiden ze.”

Door zijn werk leerde Maarten niet alleen criminelen kennen, maar ook een corrupte politieagent. Een man die voor geld “of een gratis wip in een bordeel”, bereid was zijn ogen af en toe te sluiten. “Ik ben er nog steeds tevreden over dat ik die man achterover kon trekken.”

Met de informatie die Maarten aan de politie verschafte werd de positie van de belangrijkste drugsfinancier ondergraven. “Ze wisten dat het moeilijk zou zijn hem strafrechtelijk aan te pakken, dus lieten ze systematisch transporten van hem onderscheppen. De politie zorgde ervoor dat niets hem meer lukte. Uiteindelijk week hij uit naar het buitenland.”

In de gokwereld leerde hij naar zijn zeggen onroerend-goedmagnaten kennen, grote financiers en advocaten die voor 'witwasconstructies' zorgden. Mensen die volgens hem hun macht en luxueuze leefwijze danken aan crimineel verworven geld. Volgens Maarten zijn er enorme zwendelpraktijken gaande met aandelen waarbij voorkennis een cruciale rol speelt. “De politie weet daarvan, maar bewijzen is vers twee.”

Na een jaar in het gokhuis te hebben gewerkt ging Maarten weer zelfstandig in zaken. Hij verhuisde naar een andere stad, maar bleef contact onderhouden met de CID. Hij kreeg nieuwe 'runners' bij de criminele-inlichtingendienst in zijn gemeente. Al snel werd hij in zijn nieuwe onderneming benaderd door zijn vroegere vrienden.

“Soms zei de politie dat ik mensen actief moest helpen. Zo heb ik ooit iemand geholpen een bedrijfje op te zetten. Hij kon bij mij boven een kamertje huren, daar zette ik voor hem een bureau, telefoon en faxapparaat neer. Kon hij zijn zaken met Marokko regelen, terwijl de politie hem continu afluisterde.”

Maarten zit nog steeds 'in zaken', maar de relatie met de politie is bekoeld. In de gemeente waar hij kwam wonen ging de politie reorganiseren. “Mijn runners spraken gaandeweg vaker over de problemen die ze hadden met hun chefs dan over criminelen.” Er werd, naar zijn zeggen, ook steeds slechter gereageerd op zijn informatie, die “dan weer te weinig was, dan weer niet concreet genoeg”. Zodoende ging hij zelf proberen zaken 'rond' te krijgen.

Bij één zaak, die in een andere gemeente speelde, ging het mis. Zijn runners wisten, zegt Maarten, dat hij probeerde een vinger achter een drugssmokkel te krijgen. Toen de smokkel, mede door zijn toedoen, in een stroomversnelling raakte, brak er volgens hem bij de politie in de andere gemeente paniek uit.

Nu dreigt hij naar eigen zeggen te worden gemangeld tussen twee arrondissementen. “Het openbaar ministerie in de ene gemeente is er alles aan gelegen om te laten zien dat hun politie correct werkt, in tegenstelling tot het korps in mijn gemeente.”

Hoe weinig de twee politiediensten samenwerkten merkte hij tijdens zijn ondervraging. “Ik vertelde over de man die ik op verzoek van mijn runners aan een bureau, telefoon en fax had geholpen. Toen de officier dat hoorde sloeg hij woedend zijn hand op tafel. 'Wat denken die gekken wel? Ze moeten van die man afblijven. Hij is mijn belangrijkste getuige in een grote hasjzaak!' zei hij.”