Burger-informanten in het criminele milieu verschaffen de politie inlichtingen; 'Met een aantal tips werd door de politie niets gedaan'

“Ik heb bij een hasjhandelaar in Rotterdam gewerkt: Joop, een aardige vent. Hij had een transportbedrijf en reed hasj van Marokko naar Nederland. Ik zeg tegen hem: 'Joop, ik ga hier de beveiliging doen en jij gaat niks meer gewoon door de telefoon zeggen'. Ik naar Amsterdam en ik koop daar voor 25.000 gulden bij de Spyshop aan stemvervormers voor hem. 'Nu kan je veilig praten', zeg ik tegen hem, maar ik had wel een extra scrambler aan de CID gegeven.”

De zaak-Joop is een van de drieëntwintig die de 37-jarige oud-beroepsmilitair Jeroen van Arkel zegt bij de diverse criminele-inlichtingendiensten (CID) te hebben aangebracht. Naar eigen zeggen werkt Van Arkel (pseudoniem) vanaf eind jaren tachtig als burger-informant voor de CID. Eerst voor de CID-Apeldoorn, later voor de CID's in Dordrecht, Schiedam en Rijnmond.

Van Arkel verbrak zijn CID-contacten, zegt hij, omdat hij “ondanks alle risico's uiteindelijk meer aan telefoonkosten heeft uitgegeven dan aan tipgeld getoucheerd”. Hij is naar de rechter gestapt en eist 150.000 gulden achterstallig tipgeld. Om zijn eis kracht bij te zetten treedt Van Arkel over zijn werk als informant in de openbaarheid. En al klaagt Van Arkel over enkele van zijn 'runners', over het werk onder criminelen dat hij voor de CID deed vertelt hij met plezier.

“Nadat ik uit dienst kwam heb ik eerst bij de politie gesolliciteerd. Maar daar wilden ze me niet hebben omdat ik te weinig flexibel zou zijn. Toen ben ik als portier in een nachtclub gaan werken. Ik kwam daar bij iemand die net als ik uit het judo kwam. Daar ken ik ook mijn eerste CID-runner van, maar dat wisten mijn collega-portiers natuurlijk niet.”

Hij werkte bij “een heftige nachtclub”. “Daar kwamen echt grote criminelen. Er mochten geen vuurwapens naar binnen en bij binnenkomst aan de deur gaven ze die dus bij me af. Ik noteerde alles, serienummer, merk, naam van de eigenaar, alles, en daarmee ging ik dan weer na mijn werk naar de CID.” Zijn eerste grote zaak, zegt hij, had betrekking op een omvangrijke handel in handvuurwapens uit de VS en Israel.

Van Arkel legde contacten met vele criminelen, met Colombianen die in de cocaïne zaten en met mensen 'uit de buurt' van de in 1991 vermoorde en inmiddels legendarische drugshandelaar Klaas Bruinsma. Daar zat onder meer een corrupte gevangenbewaarder bij, maar ook drugs- en wapenhandelaren en mensen die 'in het geweld' zaten: bankrovers, rippers en bodyguards. Als ex-militair trok Van Arkel vooral de aandacht van die laatste groep. Hij wist het nodige over explosieven en op deze expertise werd verschillende keren een beroep gedaan. Hij kreeg, zegt hij, zelfs het aanbod om te komen werken bij de groep van Lange Jan, een Amsterdamse ex-bodyguard van Bruinsma. “Die vent is nu helemaal gek van de coke geworden.”

Van Arkel zegt op instigatie van de politie onder meer xtc, cocaïne, heroïne, softdrugs en wapens te hebben gekocht om zaken tegen criminelen rond te krijgen. Hij spreekt er bij herhaling zijn verbazing over uit dat met een aantal van zijn tips niks werd gedaan. “Aan Lange Jan heb ik nog een keer iremite geleverd, een springstof, en daarvan meteen melding gemaakt. Niks meer van gehoord, ja, er gingen een paar auto's de lucht in.” Weliswaar vielen daar geen doden bij, “het was meer een waarschuwing”, maar dat het spul überhaupt tot ontploffing kon worden gebracht bevreemdt hem. “Ik kon ook een keer van iemand vijftig kilo semtex kopen. Maar ook met die tip werd niks gedaan. Dat spul zal nu ook wel in het milieu terecht zijn gekomen.”

Soms hadden zijn tips betrekking op criminelen die met elkaar samenwerkten, soms op drugslijnen, vertelt hij. In één geval zou hij informatie over een 'cocaïnelijn' hebben gegeven zonder dat de politie de drugs onderschepte.

Van Arkel wordt niet alleen gezocht door criminelen die vermoeden dat hij hen heeft verraden, maar ook door de politie. “Ik sta op de telex voor iets lulligs, een klein pistooltje dat ze bij me hebben gevonden. Ik leef ondergedoken en reis van het ene schuiladres naar het andere. Na wat ik heb beleefd ben ik banger voor justitie dan voor criminelen.”