Dit is een artikel uit het NRC-archief

Oorlog

Op reis naar het Zweedse luilekkerland

Rita Verschuur: Vreemd Land. Uitg. Van Goor, 144 blz. Prijs ƒ 24,50. Vanaf 10 jaar.

Soms zou je wel een vlag willen hebben om mee te zwaaien, of op een andere manier willen kunnen gillen en schreeuwen om aandacht te trekken zodat iedereen zou weten hoe GOED en BIJZONDER het nieuwe boek van Rita Verschuur is, die onder de naam Rita Törnqvist al veel kinderboeken schreef. En als ik zeg 'iedereen', dan bedoel ik ook iedereen. Niet alleen kinderen. Ik heb Vreemd land, de nieuwe Verschuur, met heel wat meer genoegen gelezen dan bijvoorbeeld de nieuwe Hermans, al laat Verschuur zich moeilijk met Hermans vergelijken. Verschuur is meer een Gerrit Krol, met dezelfde kracht en elegantie en dezelfde eerlijkheid.

Neem bijvoorbeeld een passage als deze, over het Wilhelmus. Het is vlak na de oorlog en twaalfjarige Rita gaat op reis naar Zweden waar ze twee weken bij een Zweedse familie zal logeren. Daarom leert ze Zweeds en ze leert ook het Zweedse volkslied dat niet als een volkslied klinkt en over de zon en de hemel en groene weiden gaat. Ze denkt van de weeromstuit wat na over het Wilhelmus: “Bij 'die ti-hi-hi-rannie verdrijven, die-hie mij mijn hert doorwondt' krijg ik altijd tranen in mijn ogen. Als ik ergens het Wilhelmus hoor sta ik meteen op. Zelfs midden in de nacht zou ik het doen. Ik zou gewoon rechtop naast mijn bed blijven staan tot het uit was. Maar bij dat Zweedse volkslied zou ik lekker blijven liggen.

“Misschien denken de mensen in Zweden er anders over en gaan die wel naast hun bed staan als ze het horen. In ieder geval leer ik dat lied maar uit mijn hoofd. Dan kan ik het spelen als ergens een piano is.

“Het Wilhelmus leer ik ook uit mijn hoofd op de piano. Maar ik denk niet dat ik het voor die mensen ga spelen. Ik wil niet meemaken dat zij er niet bij opstaan.”

Verschuur schrijft onverschrokken op wat er gedacht wordt, of dat nu gedachten zijn waar een mens mee voor de dag kan komen of niet. Dat heeft iets brutaals, niet op een provocerende manier, maar juist op een oprechte, net alsof zij de waarheid of 'het echte' beter in de gaten heeft dan de meeste andere mensen. Het lijkt of ze zich geen moeite geeft om te behagen - maar dat is natuurlijk niet waar, want zo'n stijl als zij heeft komt niet uit de lucht vallen. Ze is alleen maar niet koket en dat valt op, zeker nu men in kinderboeken graag quasi onnozel grappig of poëtisch is.

Vreemd land is het derde boek van Rita Verschuur over de kleine Rita Verschuur. De kleine Rita is een heel gewoon meisje, met als enig ongewone misschien dat haar ouders gescheiden zijn. Daar schaamt ze zich voor want scheiden is, anders dan doodgaan, je eigen schuld. Over de gevolgen van de scheiding ging het vooral in het tweede boek Mijn hersens draaien rondjes, waarin Rita moest wennen aan de nieuwe vrouw van haar vader die ze niet mamma maar moeder noemt en met wie het nooit echt hartelijk wordt. In Vreemd land is Rita los van haar ouders, ze logeert immers in haar eentje bij een Zweedse familie. Dat gaat, vanzelfsprekend, met grote angsten vooraf gepaard, al heeft Rita zelf gezegd dat ze wel wilde, omdat Zweden een soort luilekkerland schijnt te zijn. Haar vader is er een keer geweest en die kwam er dikker en vrolijker van terug. “En wie wil er nu niet dikker en vrolijker worden?”

Vreemd land geeft terloops een mooi beeld van hoe het er in Nederland vlak na de oorlog voor stond. Rita nodigt het Zweedse meisje van de gastfamilie uit om mee te gaan naar Nederland en maakt zich vervolgens verschrikkelijke zorgen over hoe Britt Marie het zal vinden, met zoveel minder taartjes. “En heel dun boter op je brood en flienterdun beleg. En ik ken een paar families waar je altijd eerst een boterham met tevredenheid moet. Daar neem ik Britt-Marie nooit mee naar toe.” Ook de reis door verwoest Duitsland wordt beschreven, zonder de volwassen kennis of de vergevingsgezindheid van vijftig jaar later, wel met de oprechte toenmalige schrik om de holen in de puinhopen waar de mensen in leven. Maar een bladzijde verder legt Rita alweer haar handen over haar oren als ze iemand het verafschuwde Duits hoort spreken. “Als al die mensen nu toch opnieuw moeten beginnen dan kunnen ze net zo goed in één moeite door een nieuwe taal leren”, denkt ze met kinderlijke hardheid.

Heeft iemand die herinneringen zo kan opschrijven alsof het werkelijk weer 1948 is, en de blik werkelijk die van een elfjarig meisje, een geweldig geheugen, of veroorzaakt het schrijven zelf de herinnering? Ik denk het laatste. Herinneringen bestaan pas als je ze vertelt of opschrijft, het is de vorm die maakt of ze waar zijn of niet. Die van Rita Verschuur zijn zo waar dat ze ze net zo goed verzonnen kan hebben. Omdat ze zo goed kan schrijven.