Het nieuws van 6 september 1995

Rentedaling geldmarkt houdt aan

AMSTERDAM, 6 SEPT. Gemeten naar de ontwikkeling van de rente heerste de afgelopen week op de geldmarkt een rustige sfeer. Over de gehele linie zijn de tarieven licht gedaald. De éénmaands rente zakte het meest (5 basispunten), het twaalfmaandstarief het minst (1 basispunt). Hierdoor is een lichte versteiling van de 'yieldcurve' (rentestructuur) opgetreden. De driemaands interbancaire rente is met 4 basispunten gedaald tot 3,97 procent. Het vorige dieptepunt lag in februari 1988 op een niveau van 4 procent. De vooruitzichten terzake van de economische groei en inflatie in Duitsland en Nederland staan een verdere rentedaling niet in de weg. Gegeven een Nederlandse beleningsrente die 0,4 procentpunt lag onder het Duitse equivalent (reporente) en een D-mark die zich op 1,12 gulden stabiliseerde, moet de aanzet tot een verdere verlaging van het beleningstarief van de Bundesbank (Buba) komen. Vanochtend heeft de Buba het repotarief met 10 basispunten verlaagd tot 4,2 procent. Vanmiddag wordt bekend of DNB die stap volgt. In de toelichting op haar besluit eind augustus om het disconto te verlagen, benadrukte de Buba nog dat met name de ontwikkeling van de geldhoeveelheid maatgevend is voor het rentebeleid. Die geldgroei kan natuurlijk niet geïsoleerd worden gezien van het nationaal inkomen dat voeding geeft aan de geldvraag. Als door de jongste realisatiecijfers de verwachting wordt bevestigd dat de geldhoeveelheid in Duitsland op een relatief laag niveau blijft, mag ook een verdere verlaging van het Duitste disconto voor het einde van het jaar niet worden uitgesloten.

Averij door verruimd pensioensparen

Afgelopen vrijdag ging het kabinet akkoord met vergaande voorstellen van staatssecretaris Vermeend om het bereik van de bestaande fiscale faciliteiten voor het pensioensparen te verruimen. Onder bepaalde voorwaarden geldt voor pensioenbesparingen thans de omkeerregel: nu loon verdienen, maar daarover eerst in de verre toekomst belasting betalen. Het deel van de loonkosten dat werkgevers als pensioenpremie storten, wordt bij hun werknemers niet als looninkomen belast. Verder mogen werknemers door hen zelf betaalde, op hun bruto loon ingehouden pensioenpremies aftrekken bij de berekening van hun belastbaar inkomen. Alleen met die vrijgestelde en aftrekbare premies is jaarlijks ruim twintig miljard gulden gemoeid. Vervolgens behoeven pensioenverzekeraars geen winstbelasting te betalen over de resultaten die zij behalen bij het beleggen van de door werkgevers en werknemers gestorte premies. De pensioenfondsen behalen een belastingvrije beleggingsopbrengst van meer dan 35 miljard gulden per jaar. Als gevolg van de begunstiging van het pensioensparen blijft op dit moment jaarlijks dus 55 miljard gulden van het nationaal inkomen (van 630 miljard gulden) buiten de greep van de fiscus. Pas na hun 65ste gaan werknemers belasting betalen over het dan uitgekeerde pensioen. De pensioenverzekeraars beheren op dit moment een kapitaal van bijna zeshonderd miljard gulden. Werknemers genieten vrijstelling van vermogensbelasting over hun persoonlijk aandeel in die pot, dat overeenkomt met de waarde van inmiddels opgebouwde pensioenaanspraken.

Intelligente inhaalslag

Hoe kun je constant het concurrentievermogen van de onderneming versterken en marktleider worden, zonder duimschroevenmanagement en zonder nadelige effecten voor het milieu en de maatschappelijke omgeving? Misschien voor de meeste bedrijven een bijna onmogelijke opgave, maar voor een groeiend aantal bedrijven dé uitdaging. Wie niet waagt, die niet wint. Dit gaat zeker op voor produktiebedrijven in de huidige concurrentieslag met ondernemingen uit de nieuwe industrielanden, zoals Korea, Taiwan, Singapore, Indonesië of Mexico. Het gaat al lang niet meer om simpele katoentjes uit deze landen of eenvoudige elektronische onderdelen. In toenemende mate zijn ondernemingen uit deze landen zeer goed in staat om ook complexe technologische onderdelen en complete systemen voort te brengen, al dan niet in opdracht van bekende westerse ondernemingen. De aankondiging van een nieuw geformeerd Aziatisch consortium voor de boouw van middelgrote vliegtuigen - een extra obstakel voor het geplaagde Fokker concern - onderstreept deze trend. Het sterk gestegen aanbod van technisch geschoolden, de toenemende automatisering van de produktie plus de strenge kwaliteitscontroles zorgen ervoor dat de produkten uit die landen niet meer onderdoen voor vergelijkbare produkten uit de westerse landen. Het gevolg is dat westerse industrieprodukten zich vaak alleen nog in prijs onderscheiden. Ze zijn namelijk veel duurder, omdat de lonen en het algehele kostenniveau hier hoger zijn dan daar. Concurreren op prijs betekent dat westerse ondernemingen uiteindelijk het loodje leggen. Een tijdelijke strategie kan zijn om de produkten hier te ontwerpen en in Azië, of tegenwoordig steeds vaker in Oost-Europa, te laten produceren om ze vervolgens weer hier terug te vinden in de winkelschappen naast de nog goedkopere concurrentie. Op den duur werkt dit niet meer, vooral niet wanneer je bedenkt dat het verplaatsen van de produktie gepaard gaat met forse uitstoot van de werkgelegenheid hier. De ervaringen van de laaste 25 jaar hebben geleerd dat er voor het verdwijnen van de industriële werkgelegenheid bitter weinig is teruggekomen. We moeten erkennen dat de nieuwe industrielanden binnen diezelfde periode van 25 jaar een geweldige inhaalslag gemaakt hebben en nu vaak alerter en doeltreffender reageren op veranderingen in de mondiale markt dan de westerse concurrentie.