Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Halve eeuw gefingeerde loonpolitiek

MAARTEN VAN BOTTENBURG: Aan den Arbeid! In de wandelgangen van de Stichting van de Arbeid 1945-1995

Met een nabeschouwing van Abram de Swaan

277 blz., Bert Bakker 1995, ƒ 45,-

Het meest intrigerende in het door de socioloog Maarten van Bottenburg geschreven studie over de Stichting van de Arbeid in de jaren 1945-1995 is wel de ontstaansgeschiedenis aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. De motor achter de oprichting was werkgeversvertegenwoordiger mr. D.U. Stikker, die begin 1944 in een redevoering voor werkgevers het plan ontvouwde om na de oorlog in samenwerking met werknemersvertegenwoordigers 'een groot gedeelte van de overheidstaak' over te nemen op het terrein van regelingen van sociale aangelegenheden. Hij waarschuwde voor een vacuüm op sociaal gebied waar ambtenaren ('politieke tinnegieters') de pas moest worden afgesneden. Om dat te bewerkstelligen moest er een plan komen dat alles regelde over arbeidsbemiddeling, goedkeuring van cao's en de werkgelegenheid.

Het intrigerende is dat dit plan “in hoofdzaak galanceerd moet worden door de leiders van de arbeidersvakbeweging, dit moet zijn het door hen bereikte resultaat - dan krijgt dit zijn politieke betekenis”. Slim werd ingespeeld op de destijds in Londen heersende vrees voor sociale spanningen en radicalisering (“de geest der massa is dan losgeslagen en vatbaar voor elk -isme”). Maar voordat het manifest van de Stichting vlak na bevrijding gepubliceerd werd onder de kop Werkgevers: Houdt Uw poorten open. Werknemers: Vervult Uw plicht moest er nog heel wat gearrangeerd worden. Het interessante is dat de voorgestane centrale privaatrechtelijke samenwerkingsinstitutie van werkgevers en werknemers in 'achterkamertjespolitiek' tot stand kwam, waarbij de liberaal Stikker een doelgerichte machtspolitiek koppelde aan sociaal gedrag ten opzichte van vakbondsleiders. Met name Evert Kupers, de NVV-voorzitter, ontving veel persoonlijke steun. Niet alleen financieel, ook wist Stikker via zijn contacten te voorkomen dat Kupers naar Duitsland werd gestuurd, toen hij in het laatste oorlogsjaar door de bezetter gevangen was genomen.

Het is moeilijk te beoordelen (Van Bottenburg laat wat dit betreft de lezer oordelen) in hoeverre deze persoonlijke afhankelijkheid latere onderhandelingsposities van vakbondszijde mogelijk heeft verzwakt. Wel wordt duidelijk zichtbaar in deze boeiende compilatie van oral history 1945-'95 dat achteraf gezien werknemers als buffer gebruikt werden in het touwtrekken met de overheid (dat is toch wat anders dan de aanduiding 'sociale partner') om werkgevers de sociale naoorlogse structuur te kunnen laten regelen.

Concessie

Stikker c.s. lieten de vakbeweging daarvoor, althans voorlopig, een prijs betalen in de vorm van een fundamentele concessie: afzien van medezeggenschap in het bedrijfsbeheer in ruil voor deelname aan de Stichting van de Arbeid. Stikker ging daarbij zover dat hij zich actief mengde in interne vakbondsaangelegenheden van CNV, NKV en NVV.

Tegen de naoorlogse gedachte van politieke en sociale eenheidsbewegingen, restaureerde hij in feite mede de vooroorlogse zuilenstructuur, waarvoor hij steun zocht bij confessionele zijde. Deze machtspolitiek, gecombineerd met de intentie overheidstaken over te nemen ten faveure van het bedrijfsleven (en niet te vergeten de hiërarchische verhoudingen binnen de Stichting zelf, zo blijkt uit diverse citaten) bracht de aanduiding Gesticht van de Arbeid in omloop; waarschijnlijk was ze afkomstig van de naoorlogse premier Schermerhorn, de politieke rivaal van Stikker, die toen voorzitter was van de Partij van de Vrijheid, de latere VVD.

Ondanks deze tegenstellingen en reserves bij het ontstaan van de Stichting groeide een samenwerking met de overheid. Hier speelde de toenmalige minister van sociale zaken, Drees, een belangrijke rol. Hij erkende de Stichting, maar weigerde deze een privaatrechtelijke rol te geven - de overheid moest het laatste woord hebben. Drees herintroduceerde hiervoor het College van Rijksbemiddelaars dat een vetorecht had over loonregelingen en -stijgingen.

Stikker ging, zonder raadpleging van de Stichtingsachterban, akkoord en aldus werd het fundament gelegd voor het systeem van de geleide loonpolitiek, en daarmee ook voor de geleide vakbondspolitiek die tot begin jaren zestig zou voortduren. De Stichting vormde op zichzelf een ingenieuze top-down contructie van sociaal overleg tussen werkgevers en werknemers. Daarnaast, en veelal in combinatie met de pacificatie van het loonfront, fungeerde de Stichting als een belangrijk (officieel) adviesorgaan voor het bedrijfsleven. Dat ging zelfs zover dat men zich boog over het verzoek van NV San Giorgi “een urgentieverklaring te verkrijgen waaruit zou blijken dat naar de mening van de Stichting de invoer van alpinomutsen gewenst was voor de arbeidende bevolking”.

Zwarte lonen

Veel zorg was er over 'zwarte' lonen, veel minder over 'zwarte' prijzen. Dat dit fenomeen wel degelijk bestond kan geïllustreerd worden aan de hand van het volgende citaat: “U weet hoe dat gaat met een prijsafspraak, ik zet aan dat pannetje een ander oortje of een ander deksel en de prijs geldt niet meer”. Maar ook op het gebied van het loonbeleid lichtte de Stichting de hand met de eigen strakke richtlijnen. Er werd “gerommeld met toeslagen, bonussen, emolumenten, gratificaties, vakantiedagen, pensioentoezeggingen, prestatieloon en functiewaarderingen”, aldus Van Bottenburg.

Een belangrijke sluiproute langs het College van Rijksbemiddelaars (bijnaam 'Rijksbeknibbelaars') was de werkclassificatie en het merit-rating systeem van persoonlijke waarderingstoeslagen. De ex-vakbondsbestuurder Drabbe meldt hierover: “Vanaf het eind van de jaren vijftig was het één groot spel geworden. Iedereen wist dat het flauwekul was natuurlijk. Als er twee procent loonsverhoging werd voorgeschreven, dan werd het in grote delen van de industrie het drie- of viervoudige. Men belazerde elkaar op een vreselijke manier”. Dit 'Spel van de Arbeid' laat eigenlijk zien dat de veelvuldig gebruikte benaming geleide loonpolitiek in feite historisch onjuist is.

Er was niet alleen sprake van gefingeerde loonpolitiek, maar des te meer van een geleide sociale politiek in die zin dat vakbonden eigenlijk bij de Stichting aan de ketting lagen: sociale pacificatie van de arbeidsverhoudingen zowel op landelijk als op bedrijfsniveau. Daarin paste ook het negeren en terugdringen van de positie van de radicale Eenheidsvakbeweging (EVC).

De verdienste van Van Bottenburg is dat hij de achterkamertjes uit de jaren veertig en vijftig goed in beeld heeft gebracht, maar hij trekt een dergelijke achterkamercultuur over latere periodes van de Stichting te ver door. De ondertitel 'in de wandelgangen' suggereert dit ook. Hij beschrijft of portretteert de Stichting te veel in restauratieve zin als pacificator en te weinig in vernieuwende zin als een sociaal-politiek speelveld van partijen mèt achterbannen.

Er is in de loop der tijd een bottom-up constructie gegroeid. Het keerpunt kan hier zeker het Wassenaarse akkoord van 1982 tussen werkgeversvoorzitter Van Veen en werknemersvoorzitter Kok genoemd worden. Dit akkoord leidde er niet alleen toe dat overheidsingrijpen in de loonontwikkeling is uitgebleven in de periode 1982-1995 (de periode 1970-1982 kende maar liefst drie looningrepen van de zijde der regering), maar ook dat beide partijen - in het licht van de geschiedenis - belangrijke concessies deden.

Prestige

De werkgevers stemden toe in de bevordering van arbeidsduurverkorting en deeltijdarbeid, de werknemers gingen akkoord met loonmatiging, of zoals een betrokkene dat als volgt omschreef: “Er werden twee gruwelijke taboes opgeheven: aan werknemerskant de prijscompensatie en aan werkgeverskant de herverdeling van arbeid”.Later volgden, eveneens vernieuwend te noemen, afspraken over jeugdwerkloosheid (1984), pensioenbreuk (1985), scholing (1986) en werkgelegenheid voor etnische minderheden (1990). De recente ontwikkeling van de Stichting van de Arbeid duidt Van Bottenburg aan als een paradox: “De Stichting won aan prestige door minder belangrijk te worden”.

Dat laatste is maar de vraag. De Stichting is niet meer de schoothond van het overheidsbeleid, maar een sociaal-politiek platform met een eigen rol als een waakhond van de overheid. De aanduiding 'met de benen op tafel' doet niet geheel recht aan de combinatie van formeel en informeel overleg dat in en rondom de Stichting van de Arbeid wordt gehouden. De achterkamer is inmiddels veranderd in een bovenkamer waaronder zich de dynamiek van de Nederlandse arbeidsverhoudingen afspeelt. Die dynamiek komt, zeker aan het slot van deze lezenswaardige studie, te weinig aan bod.

Dat geldt ook voor het nawoord van De Swaan waar hij stelt: “Het centrale loonoverleg heeft dus onopgemerkt een culturele werking gehad in de samenleving door mensen te ontheffen van de noodzaak om voor de beloning van eigen arbeid op te komen en het heeft daardoor de terughoudendheid in geldzaken helpen te bestendigen en zelfs nog versterkt: een onbedoelde en ongeweten functie van de Stichting van de Arbeid.”

Historisch gezien naar onze mening niet juist, getuige de 'zwarte lonen en prijzen'-praktijken (waarbij gekozen werknemersvertegenwoordigers in tarievencommissies een niet onbelangrijke rol speelden); over 'onbedoelde functie' gesproken was er misschien eerder sprake van het omgekeerde. Politiek ook niet correct, omdat na het Wassenaarse akkoord werkgelegenheid, innovatie en terugdringing van werkloosheid op de diverse sociaal-politieke agenda's van onze overleg-economie kwamen te staan. Deze vormden als het ware een culturele onderstroom die via een Stichtingsakkoord naar boven kwam. Was het niet in Wassenaar, dan wel ergens anders.