Indonesische studenten actief in verzet

Op een dag werd aan Abdoel Gafar, een Indonesiër die eind jaren dertig in Leiden studeerde en daar noodgedwongen de hele oorlogstijd moest blijven, gevraagd om voor een volkomen Hollands gezelschap een Javaanse dans uit te voeren. “Na afloop kwam meneer R. op mij af, klapte mij op de schouder en zei: 'Prachtig gedaan, joh. Ik voelde mij ineens weer in Indië terug!'. De gasten vielen hem bij en toonden hun waardering op de meest verschillende en uitbundige, mij ietwat vreemd aandoende wijzen. Ik voelde mij gevleid zo veel belangstelling te ondervinden, maar toch kon ik een gevoel van wrevel niet onderdrukken. Ik voelde plotseling hoe ik te kijk was gesteld als een exotisch, koloniaal product, 'Prachtig gedaan ...', het was alsof meneer R. met die woorden onbewust de koloniale trots van generaties Nederlanders vertolkte. Maar wat wist men in Nederland van de armoede, waar onze boeren in leefden, van de honger, die duizenden van het land naar de stad dreef, van de moeders, die met hun kind aan de borst op de trottoirs van Djokjakarta's straten sliepen?”

Gafars woorden staan in Indonesiërs spreken, een boek dat in 1947 door het echtpaar Ford-Van Lennep werd samengesteld omdat volgens hen bijna alles wat er tot dan toe over Indonesië was geschreven, van Nederlanders afkomstig was. De echtelieden die in Amsterdam aan het studentenverzet hadden deelgenomen, waren daar ook een aantal Indonesische studenten tegengekomen en waren nieuwsgierig geraakt hoe deze geïsoleerde Indonesiërs over hun land dachten als ook welke gevoelens zij over Nederland koesterden. Al in 1944 werd met boek begonnen, maar “het verzetswerk', zo vertelt mr. W.J. Ford later, “legde op ieder van de hier verblijvende Indonesiërs zo'n zware taak dat vrijwel al hun tijd daardoor werd opgeslokt. Daardoor duurde het nog tot 1947 voor ons boek uitkwam”.

Sinds het begin van de eeuw studeerden inheemsen uit Nederlands-Indië in het land van de overheerser. Dertig in 1908, bijna zevenhonderd in 1924, het jaar waarin de Perhimpoenan Indonesia, de vereniging van Indonesische studenten in Nederland, werd opgericht. Deze PI, die onder socialistische en communistische invloed stond, speelde in de jaren twintig een grote rol bij de ontwikkeling van het Indonesische nationalisme. Ze was de eerste organisatie die 'Indonesië' in haar vaandel durfde te voeren en met de leuze 'Indonesia Merdeka' kwam.

In Indonesiërs spreken (hoofdstuk 10) geven de studenten M.M. Daroesman en R.M.R. Woerjaningrat een heldere uiteenzetting over het het Indonesisch nationalisme. Ze wijzen op het optreden van de Perhimpoenan in Nederland die een belangrijk aandeel had in de bevordering van de Indonesische emancipatie, zowel in ideologisch als in politiek opzicht. Verder laten ze zien hoe het de nationale beweging in de oorlog verging. Zo werkte een deel van de beweging openlijk samen met de Japanners, terwijl een ander deel dat tot de linkervleugel van de beweging behoorde van meet af aan de illegale strijd met de Japanse bezetting aanbond. Als gevolg van die strijd zouden er onder Indonesiërs vele duizenden verzetsdoden vallen.

Toen Nederland in 1940 in oorlog kwam en bezet werd, raakten de in Nederland studerende Indonesiërs als ook de Indonesische zeelieden van de Rotterdamse LLoyd die in de havens waren blijven steken, geïsoleerd. Harry Poeze beschrijft hun geschiedenis in zijn boek In het land van de overheerser (Indonesiërs in Nederland 1600-1950). Maar het noodgedwongen isolement bracht hen ook meer tot elkaar en tot een intensieve beleving van hun identiteit. Voor de studenten waren er aanvankelijk diverse hulpfondsen. Toch sloegen de problemen toe, vooral qua conditie en gezondheid.

In het totaal stierven ten minste zesentachtig Indonesiërs gedurende de oorlogstijd in Nederland. Tien procent sneuvelde door verzetsactiviteiten, terwijl de rest, die voor het grootste deel tot de 'bediendenbevolking' hoorde, veelal bezweek aan tuberculose. Van de negenendertig Indonesische studenten in 1940 in Leiden waren er begin 1944 al twaalf dood, acht ten gevolge van tbc. Al met al was bij een geschat aantal van achthonderd Indonesiërs in Nederland het sterftecijfer bijna twee keer zo hoog als dat van de Nederlandse bevolking als geheel.

De Indonesiërs in Nederland bleven evenwel niet in hun isolement steken. Ze namen vrij massaal deel aan het Nederlands verzet. In juni 1941 vielen bij Duitse invallen in Leiden en Amsterdam de eerste slachtoffers. Een van hen, de student Sidartawan, overleed een jaar later in het concentratiekamp Dachau. In 1941 en 1942 kreeg het Indonesische studentenverzet min of meer een vaste structuur. Tot de leiding daarvan hoorden Daroesman als ook de scheikunde-student Soeripno die in zijn bijdrage aan het boek van het echtpaar Ford, vooral de aandacht vestigt op het tekort aan alfabetisering door het Nederlandse koloniale bewind.

Indonesische verzetsgroepen van enige omvang waren vooral in Leiden, Den Haag en Amsterdam te vinden maar ook in Rotterdam, Delft, Utrecht en Wageningen lieten ze zich niet onbetuigd. In totaal zijn er zo'n honderd Indonesische verzetsdeelnemers geweest. Op conferenties van de Indonesische Christen Jongeren in 1941, 1942 en 1943 konden Indonesiërs elkaar nog ongehinderd ontmoeten. Er werden contacten gelegd met onder meer de Parool-groep. In 1943 viel er weinig meer te studeren. Steeds meer Indonesiërs steeds namen deel aan het verzet (hulp aan onderduikers, illegale bladen). Diverse Indonesische KMA-studenten probeerden naar Zwitserland te ontkomen om vandaar door te reizen naar hun vaderland.

Niet alle Indonesiërs in Nederland waren tegen de Duitse bezetter. Er was ook een groep Rotterdamse en Leidse Indonesische studenten die sympathie had voor de Japanse bezetting van hun land, omdat die gezien werd als een mogelijke aanzet tot onafhankelijkheid. Net als voor alle Nederlanders benoorden de grote rivieren, was ook voor de Indonesiërs het laatste oorlogsjaar het zwaarste jaar in Nederland. In Amsterdam bleven ze, onder wie veel vrouwen, toch actief in het verzetswerk. De Perhimpoenan Indonesia die ondergronds had moeten gaan, kreeg zijn eigen vaste vertegenwoordiger in het verenigd verzet en Soeripno was de oprichter en voor korte tijd ook de commandant van de Leidse sectie van de Binnenlandse Strijdkrachten, waaraan door een groep Indonesiërs werd deelgenomen.

Na de oorlog waarin Abdoel Gafar naar hij schreef, de Hollanders zoveel beter had leren kennen en meer was gaan waarderen - de door de Indonesiërs zo zeer verfoeide 'kruideniersmentaliteit' waren ze wat kwijtgeraakt - werd de Indonesische bijdrage aan de Nederlandse verzetsinspanningen uitbundig geprezen. Maar volgens de Indonesische studenten die toen naar hun land terugkeerden, moest er voor hen nog een tweede bevrijding komen.

Geraadpleegde bronnen: Indonesiërs spreken. Onder redactie van M. Ford-Van Lennep en W.J. Ford, illustraties Salim (Den Haag, 1947), Harry A. Poeze, In het land van de overheerser I Indonesiërs in Nederland 1600-1950, Dordrecht/Cinnaminson (USA), 1986