Houthandel investeert alleen in telefoon en fax

Veel houthandelaren doen niet veel meer dan ervoor te zorgen dat hout van de ene plaats naar de andere komt. Ze zouden meer waarde aan het door hen verhandelde hout kunnen toevoegen, als ze maar bereid waren voldoende te investeren. Zulke kritische opmerkingen over de houthandel zijn te horen bij het Centrum voor houttechnologie van TNO.

Onzin, is de reactie van de houtbranche, die jaarlijks ruim 5,5 miljoen kubieke meter naaldhout, hardhout en plaatmateriaal ter waarde van meer dan drie miljard gulden importeert. Bij TNO zou men niets van houthandel begrijpen. In de ogen van houthandelaren willen TNO-technici vooral geld verdienen aan hun sector. Die technici zouden er belang bij hebben om een markt te creëren voor de adviezen die ze tegen betaling willen leveren. “Ze willen alleen dat wij ze opdrachten geven om ons te vertellen hoe wij meer zouden kunnen verdienen”, is de redenering.

Veel importeurs zien het hout dat ze over de hele wereld kopen bij voorkeur nooit als hun eigendom in Nederland aankomen. Terwijl het hout richting Nederland wordt vervoerd, trachten zij het al door te verkopen aan plaatselijke houthandels, die het op hun beurt verder leveren aan houtverwerkende bedrijven. De importeurs investeren bij voorkeur alleen in een telefoon en een fax. Hout in voorraad houden en bewerken vergt serieuzere investeringen. Daaraan beginnen importeurs bij voorkeur zo weinig mogelijk.

De handelaren speculeren op prijsstijgingen en op valutaschommelingen om het hout tijdens het transport tegen een zo gunstig mogelijke prijs van eigenaar te doen wisselen. Soms verdienen ze op die manier goud, soms spoelt hun geld door de gootsteen weg.

De handelaren die daadwerkelijk hout in voorraad houden, voeren dikwijls slechts enkele eenvoudige bewerkingen uit zoals schaven, zagen en drogen. Hiermee zijn ze in de jaren zestig begonnen. Indertijd hielp TNO deze handelaren om met de eenvoudige houtbewerking te kunnen beginnen. Maar inmiddels gebeurt er veel meer houtbewerking in de landen waar de bomen worden gekapt dan nog enkele tientallen jaren geleden het geval was. Die houtproduktielanden voegen zelf waarde aan het hout toe voordat het wordt geëxporteerd. Er komt dan ook vrijwel geen rondhout meer naar Nederland. Het hout is al gezaagd of tot plaatmateriaal verwerkt (in Indonesië bijvoorbeeld) of het is zelfs tot eindprodukten verwerkt, zoals in Maleisië gebeurt.

Handelaren vinden dat er daardoor voor hen minder noodzaak is om het hout verder te bewerken. Ze beschouwen de bewerking minder als een waardetoevoeging aan het hout, dan als een service voor hun afnemers. Ze zeggen zelfs dikwijls dat de bewerking van geïmporteerd hout onvoldoende opbrengt als het hout vervolgens binnen of buiten Nederland wordt verkocht.

De handelaren hebben weinig zin in discussies over mogelijkheden voor meer bewerkingen om waarde aan het hout toe te voegen. Ze voelen niets voor nieuwe investeringen. Bovendien menen ze dat de mogelijkheden waar het Centrum voor houtbewerking van TNO aan denkt, technische kennis vergen die zij als handelaren niet hebben en ook nooit zullen krijgen. Ze moeten niet denken aan de kennis die bij houtbewerking nodig is van alle richtlijnen voor houttoepassing in de bouw.

Bij TNO is de indruk echter dat de handelaren te veel vast zitten aan een traditie van snel geld verdienen. Ze zouden niet industrieel denken en daardoor niet bereid zijn om investeringen te doen waar ze op lange termijn van zouden profiteren. De houthandel zegt op zijn beurt dat het Centrum voor houtbewerking van TNO langzamerhand geen toekomst meer heeft. Maar tevens wordt erkend dat het bij het hout om een weinig innovatieve sector gaat.

Houtondernemingen zijn meestal op samenwerking aangewezen als ze tot vernieuwing bij de houtbewerking willen komen. Het nastreven van meer waardetoevoeging aan het verhandelde hout vergt voor een bedrijf alleen te grote investeringen. Maar tegelijkertijd zijn houtondernemers vaak weinig tot samenwerking bereid. In de sector zelf heet het dat men elkaar met argusogen bekijkt. Een houtondernemer is bang dat als gevolg van zijn eigen investering ook de concurrent iets zal verdienen. Dat onderlinge wantrouwen zou nog niet lang geleden de oorzaak zijn geweest van het mislukken van een poging van negen bedrijven om gezamenlijk te komen tot een betere techniek voor de fabricage van houten kozijnen.