'B en W van Rotterdam zwegen over Perron Nul'

ROTTERDAM, 31 AUG. Het Rotterdamse college van B en W heeft in 1994 twee maanden lang tegen de raad cruciale besluiten verzwegen over de ontmanteling van Perron Nul, de gedoogzone voor drugsverslaafden.

Dit blijkt uit een rapport dat de bestuurskundigen U. Rosenthal, E.J. van der Torre en A. Cachet vanmorgen presenteerden met hun bevindingen over de bestuurlijke gang van zaken rond de ontmanteling van Perron Nul.

Tegenover de raad en de deelgemeenten die een deel van de verslaafden moesten opvangen, werd onder regie van burgemeester Peper bewust “een strategie van overrompeling en voldongen feiten” gevolgd. Peper wist de sluiting van Perron Nul in ferm tempo door te drukken toen, na al te openlijke signalen van verdeeldheid binnen het college van B en W, besloten werd hem een 'voortrekkersrol' in het beleid te gunnen.

Het rapport vloeit voort uit een raadsbesluit om een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten. De raad meent namelijk vorig jaar door het college onvoldoende te zijn geïnformeerd. Dat klopt, en dat heeft hij aan zichzelf te danken, aldus de onderzoekers. Raadsleden zetten hun onvrede over het feit dat ze buitenspel stonden om in klaagzangen in de media en nooit in concrete politieke stappen. En zo komt het hele Rotterdamse bestuur er in het rapport slecht vanaf: een verdeeld college, een passieve raad, kortzichtige deelgemeenten en een falende voorlichting.

Meest opvallend in het rapport zijn de verstoorde verhoudingen binnen het college tussen Peper en de 'beide Hansen' Simons en Kombrink, die vorig jaar uit Den Haag kwamen om de PvdA te redden en het stadsbestuur over te nemen. Dat resulteerde in een 'vechtcollege', aldus de onderzoekers, die de kemphanen streng vermanen dat “veiligheidsproblemen te belangrijk en gevoelig zijn om onderworpen te zijn aan de machtsstrijd”. De kiem voor een machtsstrijd lag al in het college-akkoord. Het drugsbeleid werd over maar liefst vier bestuurders uitgesmeerd.

Pagina 2: Verdeling taken onwerkbaar

Burgemeester Peper was verantwoordelijk voor openbare orde en politie, maar wethouder Simons (PvdA) kreeg het veiligheidsbeleid als 'aandachtsgebied', wethouder Den Oudendammer (D66) de verslaafdenzorg en wethouder Meijer (Groen Links) de dak- en thuislozen.

Deze portefeuilleverdeling “ademde van meet af aan een sfeer van een moeizaam en nauwelijks werkbaar compromis” die met de “sfeer van onderling wantrouwen” slechts kon leiden tot fragmentarisch beleid. Dieptepunt was wat dat betreft 14 september. Op die dag deden Peper, Simons en Den Oudendammer volstrekt tegengestelde beweringen over de toekomst van Perron Nul. Volgens de drie bestuurders zou de gedoogzone respectievelijk voor het eind van het jaar ontmanteld, verplaatst en voorlopig niet ontmanteld worden.

Dat Perron Nul moest verdwijnen, stond op dat moment al vast. Op 16 augustus was door bemiddeling van wethouder Simons een gesprek gearrangeerd tussen burgemeester Peper en dominee Visser, de beheerder van Perron Nul. De heren waren het tot hun eigen verbazing eens over een spoedige sluiting: de criminelen hadden de macht gegrepen op Perron Nul, de situatie was door de toestroom van drugstoeristen onhoudbaar geworden. Visser, die wel vervangende opvang wenste, werd vervolgens niet meer geraadpleegd.

De beslissing van het college, eind september, om Peper de voortrekkersrol in het beleid te gunnen, werd door iedereen ervaren als “een bevrijding”. In de eerste plaats wisten de wethouders niet goed wat ze wilden en waren ze opgelucht dit “moeilijke dossier” op Peper te mogen afschuiven. Wethouders Simons mocht dan wel een spilfunctie in het 'veiligheidsbeleid' opeisen, hij beschikte op dit terrein niet over eigen ambtenaren of 'strategische partners' in de ambtelijke top.

Vraag was daarna of men de datum van de ontmanteling van Perron Nul afhankelijk zou stellen van de aanwezigheid van adequate opvang voor de 'vaste bewoners'. Het college besloot al eind september die twee zaken los te koppelen om de vaart erin te houden. Pas eind november werd de raad van dit besluit op de hoogte gesteld. Onderzoeker Rosenthal noemde dit zwijgen tegen de raad vanochtend “een politieke doodzonde”. Maar de raad liet “wel heel gemakkelijk over zich heen lopen”.

Deze politiek was ook een gevolg van de “strikte informatiediscipline” die Peper oplegde aan zijn 'ontmantelingsteam', bestaande uit vertegenwoordigers van politie, justitie en ambtelijke diensten. Voor die gesloten, directieve stijl van besturen waren goede redenen. De opvang van verslaafden lag gecompliceerd. Terwijl deelgemeenten onderschreven dat het drugsprobleem een verantwoordelijkheid van de hele stad was, veranderde die houding als opvang op het eigen territorium dreigde. Rotterdam was en is in de greep van een 'zedelijke paniek'; Rotterdammers projecteerden al hun onlustgevoelens op drugsverslaafden. Bestuurlijk overleg met deelgemeenten over opvang zou leiden tot lekken naar de media en tot een rellerige sfeer.

UIteindelijk besloot men, naast de gedoogzone in Vissers' Pauluskerk, twee panden voor nachtopvang voor vijftig verslaafden op te richten. De deelgemeenten Overschie en Schiebroek-Hillegersberg, waar de panden waren gepland, werden pas enkele dagen voor de ontmanteling van Perron Nul op de hoogte gesteld. De bestuurlijke crisis die daardoor ontstond was “een produkt van een bewuste keuze”, aldus de auteurs.

De spierballenpolitiek van Peper had resultaat. De methode is echter niet voor herhaling vatbaar, aldus onderzoeker Rosenthal. “Wat betreft het doel - sluiting van Perron Nul vóór januari - was het beleid effectief. Maar in een democratisch bestel met volwassen bestuurlijke verhoudingen heeft het college gezondigd.”