Raad van State volhardt in kritiek op prestatiebeurs

DEN HAAG, 28 AUG. De Raad van State blijft bij zijn kritiek op het wetsontwerp prestatiebeurs. In zijn advies bij het nieuwe wetsontwerp schrijft de Raad dat het nieuwe beurzensysteem niet zou moeten worden ingevoerd voordat in het hoger onderwijs “over de gehele linie” gegarandeerd kan worden dat studenten daadwerkelijk binnen vier jaar kunnen afstuderen. De Raad is er niet van overtuigd dat dit nu al het geval is.

Desondanks besloot het kabinet het wetsontwerp vrijdag toch in te dienen bij de Tweede Kamer. Volgens het kabinet is de zogenoemde 'studeerbaarheid' van de opleidingen aan de hogescholen en universiteiten de laatste jaren voldoende verbeterd om “vertrouwen” te hebben in de toekomst. Het kabinet wijst verder op de afspraken die deze zomer zijn gemaakt met universiteiten, hogescholen en studentenorganisaties over betere studieprogramma's.

Het vorige wetsontwerp werd op 6 juni op het allerlaatste moment met de kleinst mogelijke meerderheid verworpen in de senaat.

Het kabinet wil dat het nieuwe systeem in september 1996 ingaat. Het vorige wetsvoorstel voorzag een invoeringsdatum van 1 september 1995. Minister Ritzen (onderwijs) diende het vorige wetsvoorstel in het voorjaar in bij de Tweede Kamer, terwijl de prestatiebeurs op 1 september van dit jaar zou moeten ingaan. Het korte tijdsbestek was toen een belangrijk kritiekpunt van de Raad van State en in beide Kamers van het parlement.

Het nieuwe wetsontwerp prestatiebeurs verschilt - op de invoeringsdatum na - weinig van het vorige. Het voorstel regelt twee belangrijke wijzigingen in de studiefinanciering. De periode dat een student recht heeft op een beurs wordt gelijkgesteld aan de officiële studieduur, van meestal vier jaar. Nu nog krijgt elke student een jaar langer een studiebeurs. Verder wordt in het wetsontwerp voorgesteld om de beurs eerst als lening uit te keren en deze pas kwijt te schelden indien in de propedeuse tenminste de helft van de examens wordt behaald. Daarna moet de student binnen zes jaar na aanvang van zijn studie zijn diploma halen, om de 'prestatielening' van het tweede tot en met vierde jaar om te kunnen zetten in een beurs. De studentenorganisaties zijn fel tegen het wetsontwerp omdat zij vrezen voor grote studieschulden.