Gemeen en sluw zijn is het allerbeste voor een Italiaan; Sufferds, schurken en schijnheiligerds

Wie in Italië goedgelovig is, zijn ouders respecteert en zich geroepen voelt mensen te redden die in het water zijn gevallen, is een fesso. Wie zichzelf beter vindt dan anderen, egoïstisch en sluw is, en zich het liefst bezighoudt met zaken als belasting ontduiken, is een dritto. In tegenstelling tot wat misschien verwacht mocht worden, heeft fesso van deze twee de ongunstigste betekenis, het woord is een vulgaire uitdrukking voor (naïeve) stommeling. Een dritto daarentegen is een goochemerd op wie iedere niet-dritto in feite jaloers is.

In Bianco, rosso e verde, een boek over de identiteit van de Italiaan, worden naast de fesso en de dritto nog ander typen beschreven. Het zijn meest kwalijke karakters die de revue passeren, allen familie van de dritto. Zo is er de even laffe als sluwe 'particulare' (op zichzelf gerichte) figuur die maar één doel nastreeft, overleven, en daarom met alle winden meewaait. Èn zich tegelijkertijd niets aantrekt van anderen. Verder is er de baciapile (letterlijk: huichelaar), een schijnheilige roomskatholiek die alleen in Italië voorkomt. Deze hypocriet moet dan ook niet worden verward met de bigotte gelovige, want hoewel eveneens kwezelachtig, is de laatste vooral dom-vroom. De baciapile daarentegen weet heel goed waar hij zijn moet om gedaan te krijgen wat hij wil: in plaats van met God praat hij vooral met de priester en andere geestelijke hoogwaardigheden.

De socioloog Alessandro Cavalli, een van de auteurs van een ander boek over de Italiaanse identiteit, getiteld La cultura degli Italiani, somt een paar '-ismen' op die typerend worden geacht voor de Italianen. Individualisme is er zo een, evenals clientelismo (vriendjespolitiek). Het valt op dat net als de dritto en de baciapile ook deze aan het Italiaanse karakter toegeschreven eigenschappen ondeugden zijn, of anders twijfelachtige deugden. In dit beeld passen ten slotte veel Italiaanse uitdrukkingen die geen buitenlands equivalent hebben, zoals arte di arrangiarsi (de kunst zich aan te passen) en cavarsela (zich ergens uit redden).

Gezien het voorgaande is het niet vreemd dat het buitenland volgens veel Italiaanse schrijvers en journalisten geen hoge dunk heeft van de Italiaanse identiteit. De stereotiepe Italiaan van vroeger - die spaghetti eet, mandoline speelt en in een gondola vaart - bestaat niet meer; de enorme corruptieschandalen die aan het licht zijn gekomen door de Operatie Schone Handen en de grote invloed van de mafia hebben de Italiaanse identiteit wezenlijk veranderd. Hoezeer buitenlanders Italië met de mafia associëren kan niet beter worden geïllustreerd dan door wat de bootvluchtelingen uit Albanië in 1991 in Bari en Brindisi vanaf het water riepen naar de mensen aan wal, om te laten zien dat ze Italiaans konden spreken. Opgetogen, en in hun ogen dan tenminste nog complimenteus, schreeuwden ze herhaaldelijk; “Italië is mooi! Italië mafia! Italië Piovra, commissaris Cattani.”

Duiken de -ismen en karakteristieke types als de dritto en de baciapile overal op in de Italiaanse (vak)literatuur, Cavalli noemt nog een andere eigenschap die in zijn ogen een van de belangrijkste eigenschappen is van de Italiaanse politieke cultuur, en misschien ook wel van het nationale karakter, omdat zij altijd al heeft bestaan; een - vaak terecht - algeheel wantrouwen onder de bevolking jegens de heersende klasse en de staat.

Je kunt je echter afvragen of de Italianen zelf wel zo veel beter zijn dan hun heersende klasse, dat zij die mogen bekritiseren. Lange tijd heeft men gedacht dat zij daartoe inderdaad het recht hadden, omdat zij machteloos zouden staan tegenover hun leiders. Maar tegenwoordig zijn er ook commentatoren die naar aanleiding van de omkoopschandalen menen dat de heersende klasse zo slecht en corrupt kan zijn (geworden) doordat zij alle kans daartoe krijgt van de 'burgerlijke samenleving', waarin op grote schaal microcorruptie voorkomt.

Zo bekeken is het probleem er een van de kip of het ei, want de hardnekkige veronderstelling van een oneerlijke en incapabele heersende klasse geeft de burger in veler ogen een geldig excuus voor onoirbaar gedrag. Met andere woorden, niet duidelijk is of deze karaktereigenschap van de Italiaan aangeboren is, of een reactie op het slechte voorbeeld dat hij zijn hele leven lang dagelijks krijgt. In dit verband speelt volgens Cavalli ook het roomskatholieke geloof een rol van betekenis. In navolging van bijvoorbeeld Max Weber signaleert hij het gevaar van de biecht, en daar zit wat in: de verleiding het moreel minder nauw te nemen kan groeien dankzij de mogelijkheid het geweten als het ware periodiek schoon te wassen in de biechtstoel.

Toch geeft Cavalli de Italianen het voordeel van de twijfel. Hij gaat ervan uit dat zij eerlijk worden geboren, maar dat die eerlijkheid door de omstandigheden in plaats van een deugd om trots op te zijn een bron van frustratie wordt. Want niet zelden voelt de Italiaan die keurig volgens de regels leeft zich na verloop van tijd een sufferd, een fesso dus, als hij in zijn omgeving en de media heeft gezien hoe het anders kan. Misschien echter is er een kentering gaande. Misschien hebben Tangentopoli, Operatie Schone Handen en de strijd tegen de mafia tot gevolg dat de houding van de Italiaanse bevolking verandert. Het begin is er, maar het is de vraag of het ook doorzet, of de Italianen wel echt de kans krijgen te veranderen. Want het leek dan wel de goeie kant op te gaan met de verkiezingen van twee jaar geleden, waarbij de oude partijen werden weggevaagd, de ontwikkelingen daarna doen weer het ergste vrezen. Het politieke nieuws uit Italië levert de laatste tijd een constante stroom op van berichten over allerlei voorstellen en affaires die als doel hebben de Operatie Schone Handen te torpederen en over een tv-magnaat annex politicus die uit alle macht probeert aan de justitie te ontkomen om zo ongestoord met zijn praktijken door te kunnen gaan. Terug naar af, zo lijkt het. Het probleem is evenwel dat de Italianen zèlf Berlusconi in het zadel hebben geholpen, en daarom medeverantwoordelijk zijn voor deze verandering die misschien geen verandering is.

Hoe dan ook, de mensen die van het begin af aan zeiden dat eigenbelang Berlusconi's enige motief is geweest voor zijn entree in de politiek hebben gelijk gekregen. Daarmee heeft hij zich de dritto in optima forma getoond. Hij handelt immers doortrapt en zelfzuchtig, hij stoort zich allerminst aan morele verplichtingen en hij manipuleert zelfs voor zover mogelijk de wetgeving. Veel Italianen zullen jaloers op hem zijn.