Enquête toont groeiende kloof binnen magistratuur

AMSTERDAM, 28 AUG. Binnen de rechterlijke macht is een tegenstelling aan het groeien tussen rechters en officieren van justitie. Dit blijkt uit een enquête over de rechtspositie waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in het tijdschrift voor de rechterlijke macht. Steeds minder leden van de zittende magistratuur zijn gelukkig met de gezamenlijke vakorganisatie met het openbaar ministerie, de Nederlandse vereniging voor rechtspraak (NVvR). De leden van het OM blijven nagenoeg unaniem van mening dat het juist zeer gewenst is gezamelijk op te trekken.

Uit het commentaar van de NVvR op de enquêteresulaten blijkt dat dit een zeer gevoelig punt is. Historisch gezien zijn er nauwe banden tussen de beide takken van magistratuur. Alleen al het bespreken van de aan het licht getreden verschillen zou volgens de NVvR de kloof verder kunnen vergroten. Het signaal van de achterban wordt echter zo duidelijk genoemd dat de vakorganisatie er niet meer omheen zal kunnen.

Minister Sorgdrager van justitie heeft een ingrijpend reorganisatieplan voor het OM opgesteld, dat voor grote turbulentie heeft gezorgd. Het korps aanklagers neemt een speciale plaats in tussen het openbaar bestuur en de zittende rechterlijke macht. De klassieke “magistratelijke rol” van de officier van justitie staat onder druk van allerlei nieuwe beleidsmatige en bestuurlijke taken. De enquête vormt een teken dat de rechters daar ook hun twijfels over hebben.

Met name aan de basis van het openbaar ministerie blijkt de onvrede groot te zijn. Een meerderheid van de officieren van justitie klaagt dat zij onvoldoende invloed hebben op zaken die rechtstreeks het eigen werk betreffen. Ook aan het intern overleg schort het nodige en veel respondenten klagen over het ministerie van justitie. De onvrede is zo omvangrijk dat het bestuur van de NVvR vreest voor het draagvlak voor verandering.

De rechters zelf klagen ook over het departement, al is de verhouding ten opzichte van een eerdere enquête in 1991 wel wat opgeklaard. Dat betreft echter toch nog vooral een enkel punt, de informatie vanuit het departement over de arbeidsvoorwaarden. Voor het overige vindt een meerderheid van de rechters nog steeds dat er onvoldoende naar hen wordt geluisterd. Ook doet het ministerie van justitie volgens hen te weinig aan de kwaliteit van de rechterlijke organisatie.

De werkdruk vormt de grootste klacht van de rechters. Zij zijn in het algemeen wel tevreden met de zelfstandigheid en autonomie van hun functie maar vinden dat er nog veel ontbreekt aan een behoorlijke ondersteuning. De actiebereidheid van de rechters bij arbeidsconflicten is ten opzichte van 1991 overigens tien procent gedaald. Vrouwen zijn bezig met een opmerkelijke inhaalrace. Zij maken thans een meerderheid uit van de rechterlijke ambtenaren in opleiding (bijna 70 procent) en zijn binnen de rechtbanken reeds bijna evenredig vertegenwoordigd (45 procent). Het schort echter aan hogere functies. De ontevredenheid met het inkomen is ten opzichte van 1991 spectaculair gedaald.

Bij deze vorige enquête was reeds sprake van een cultuuromslag binnen de rechterlijke macht onder meer als gevolg van de verjonging die plaatsvindt. De visie van de nieuwe lichtingen rechters is zakelijker: “van ambt naar professie”. Deze verzakelijking blijkt verder door te zetten. De toename van het aantal rechters dat zegt primair voor het geld te werken is daarvan één van de voorbeelden.