Pas op jij, geen politie bellen

Klaas, die tweehoog aan de gracht woont, schrikt wakker van geluid. De bovenbuurman, denkt hij. Altijd laat thuis in het weekend. Maar voor hij de energie heeft opgebracht om te luisteren of hij ook water door de leidingen hoort stromen, is hij alweer onder zeil.

Twee tellen later is hij opnieuw wakker.

Muizen, denkt Klaas. Een paar keer roept hij hard: “Kssst, ksssst!” en trekt het laken over zijn hoofd. “Maandag korrels bij de drogist ha...”

“Verdomme, nu is het genoeg!” Hij gooit het dek van zich af. “Blijf liggen”, klinkt het koel bevelend vanaf de boekenkast. Klaas verstijft. Hij krijgt kippevel over zijn hele lichaam. Zijn nek voelt ijskoud. Er trekken elektrische stromen van zijn tenen over zijn kuiten, langs zijn billen en zijn rug naar zijn achterhoofd. Hij tuurt in het donker.

Voor de kast staat een lange vent doodkalm alle draden van de stereotoren te ontkoppelen. De boxen staan al op elkaar gestapeld.

“En geen politie bellen.” Dezelfde koele, zelfverzekerde stem. Klaas blijft doodstil liggen.

Met de toren onder de ene en de boxen onder de andere arm, loopt de inbreker de kamer uit, de gang door en de trap af. Zachtjes hoort Klaas de buitendeur dichttrekken.

Hij springt uit bed, rukt het gordijn opzij en opent het raam. Nog voor hij om hulp heeft kunnen roepen, hoort hij: “Pas op jij.” Waarschuwend steekt de kerel zijn wijsvinger omhoog. Klaas voelt zijn tong verlammen.

De inbreker schuift de spullen in de kofferruimte van een gereedstaande auto met chauffeur en drukt zacht de klep dicht. Voor hij naast de bestuurder instapt, kijkt hij nog een keer naar boven en grijnst.