De evolutie als staartdeling

DANIEL C. DENNETT: Darwin's Dangerous Idea. Evolution and the Meanings of Life

586 blz., geïll., Simon and Schuster 1995, ƒ 64,-

Een in 1993 in de Verenigde Staten gehouden onderzoek bracht aan het licht dat bijna de helft van alle Amerikanen denkt dat de mens minder dan tienduizend jaar geleden door God is geschapen. Maar wat wil je ook, in een land waar in de meeste staten het creationisme naast de evolutieleer op scholen wordt verkondigd. Ook in Nederland kunnen we er wat van. Bij ons mag de evolutietheorie weer geen deel uitmaken van het Centraal Schriftelijk biologie-examen, want dan zou deze verfoeilijke leer verplicht op alle scholen dienen te worden verbreid.

Blijkbaar hebben veel mensen er grote moeite mee om toe te geven dat we maar een ondeelbaar ogenblik van de geschiedenis van het leven aanwezig zijn geweest en zijn we, volgens de evolutiebioloog Stephen Jay Gould, niet bereid de overtuiging prijs te geven “dat we boven aan de ladder staan, en daarom met recht de wereld beheersen, of dat we op zijn minst het eindprodukt zijn van een voorspelbaar proces dat is bedoeld om ons voort te brengen”. Van oudsher redeneerden filosofen als John Locke en David Hume daarom vanuit het 'argument from design': de menselijke geest is zoiets ongelofelijks, dat die wel door iemand ontworpen en geconstrueerd moet zijn.

De evolutieleer is niet alleen daarom al jarenlang een omstreden theorie. Er bestaan nog altijd controversen over de manier waarop zij bepaalde verschijnselen verklaart. Het is dan ook niet verwonderlijk dat tegenstanders dergelijke discussies tussen evolutiebiologen over bepaalde aspecten van de theorie volledig uit hun verband plegen te trekken. Daarnaast is de theorie - helaas ook door voorstanders - vaak verkeerd geïnterpreteerd. Neem het beroemde begrip 'survival of the fittest', dat al in 1864 door een fervente aanhanger van Darwin, Herbert Spencer, werd verzonnen. Het is natuurlijk een regelrechte tautologie, want wie zijn immers het sterkste? Degenen die overleven, en wie overleven? De sterksten: 'the survivors survive'. Het is een vaak gebruikt argument tégen de evolutietheorie, maar berust op een verkeerde interpretatie.

Natuurlijke selectie

Het grote probleem blijft wel dat de evolutietheorie eenvoudig niet te bewijzen is, en alleen maar aannemelijk gemaakt kan worden. Dat was ook precies wat Karel van 't Reve ertegen bleek te hebben toen hij aan het eind van de jaren zeventig een felle discussie voerde met Dick Hillenius en Maarten 't Hart: als de giraffe door zijn lange nek de strijd om het bestaan kon winnen, omdat hij beter bij de hoogste blaadjes kon komen, waarom heeft de zebra dan niet verloren? Bestaat er eigenlijk wel een biologische eigenschap die geen voordeel oplevert?

Hoe amusant vragen als deze ook mogen zijn, ze versluieren toch waar het echt om gaat, en dat is Darwins fundamentele inzicht van evolutie door natuurlijke selectie. Dat principe, Darwin's Dangerous Idea, staat, na bijna honderdvijftig jaar lang fervent te zijn aangevallen, nog altijd als een rots overeind. Het grijpt volgens de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett “dieper in het stelsel van onze meest fundamentele overtuigingen in dan veel van zelfs zijn meest geraffineerde voorstanders zich hebben gerealiseerd”. Het is niet verwonderlijk dat juist Dennett zich in zijn nieuwe boek opwerpt als zo'n 'sophisticated apologist'. Al jarenlang is hij de grote voorvechter van de Kunstmatige Intelligentie (KI), de tak van de cognitieve psychologie die ervan uitgaat dat een goed geprogrammeerde computer met de juiste input en output een menselijke geest kan hebben. Dennett ziet de evolutie dan ook niet alleen als een volledig door het toeval geregeerd, blind en mechanistisch proces, maar zelfs als een algoritme, een formeel proces dat steeds wanneer het gevolgd wordt, hetzelfde resultaat oplevert. Zoiets als het uitvoeren van een staartdeling of het bijhouden van een huishoudboekje.

Keer op keer hamert hij dit concept er bij zijn lezers in, en - bijna paranoïde - ziet hij in de tegenstanders van de evolutie voortdurend dezelfde individuen die ook diens 'evil twin', de KI, bestrijden. Op zichzelf zit daar natuurlijk wel wat in. Als de menselijke geest immers niets anders is dan het produkt van een evolutionair proces, dan hebben ook onze geestelijke vermogens uiteindelijk een mechanische verklaring, en staat niets een computer-imitatie ervan in de weg: “We stammen af van computerprogramma's en we bestaan eruit, en niets dat wij kunnen ligt buiten hun bereik.”

Als niet-bioloog moet Dennett zich voor de meer 'technische' details overigens op anderen verlaten. Eén van zijn helden is de Engelse zoöloog Richard Dawkins, die hij het hele boek door te pas en te onpas citeert. Dawkins betoogt, al sinds in 1976 zijn boek The Selfish Gene uitkwam, dat wij mensen niets anders zijn dan overlevingsmachines voor onze genen, die ons tot bepaalde gedragspatronen aanzetten om te kunnen overleven en zich te kunnen vermenigvuldigen.

Nadat Dennett zijn opvattingen in het eerste deel heeft uiteengezet, en aldus een solide basis voor het vervolg heeft gelegd, begint hij zijn kruistocht tegen alles en iedereen die het waagt daaraan te twijfelen. Zo passeren achtereenvolgens de verschillende hypotheses over de allereerste stappen op weg naar het leven de revue en wordt het belang van het fenomeen van zelf-replicatie duidelijk verklaard. Voortdurend legt Dennett er de nadruk op dat alles op mechanistische wijze, uit eenvoudige basisprincipes is te verklaren, ofwel dat daarvoor, zoals hij zelf zegt, uitsluitend 'cranes' nodig zijn en geen 'skyhooks', denkbeeldige haken uit de hemel.

Doelwit

De biologie wordt in die optiek dan ook eerder een soort technologie, waarvan de produkten steeds door een functionele bril moeten worden bekeken: wat is de overlevingswaarde ervan? Waarom zijn bloemen zo mooi gekleurd? Niet om ons een plezier te doen, maar om insekten aan te trekken die voor bestuiving (voortplanting) kunnen zorgen. Op grond daarvan - en dwars tegen de gangbare orthodoxie in - concludeerde de Oostenrijkse zoöloog Von Frisch dat insekten kleuren moesten kunnen zien, wat hij later ook via elegante experimenten wist aan te tonen. Een ander voorbeeld is de ontdekking van de endorfinen, natuurlijke pijnonderdrukkers in ons lichaam. Moleculair biologen ontdekten in de hersenen bepaalde receptoren, die vreemd genoeg heel specifiek bleken te zijn voor morfine, een door mensen gesynthetiseerde pijnstiller. En zo'n 'natuurlijk slot' is er natuurlijk niet voor niets, daar hoort een natuurlijke sleutel bij.

Opvallend is dat Dennett bij dit alles meestal lijnrecht ingaat tegen de opvattingen van Stephen Jay Gould, een grootheid binnen de evolutiebiologie. Hij vormt bijna in zijn eentje het doelwit van het hele tweede deel, vooral omdat zijn populaire boeken over de evolutie in de ogen van Dennett een verwrongen beeld geven. Zo is Gould een verklaard tegenstander van het adaptationisme, 'het proberen uit te vinden wat Moeder Natuur in gedachten heeft gehad', is hij van mening dat er van tijd tot tijd radicale versnellingen in het evolutionaire proces optreden en meent hij dat wij er niet zouden zijn als de “tape van het leven opnieuw zou worden afgespeeld”. Het zijn allemaal opvattingen die afbreuk doen aan de simpelheid van 'Darwin's Dangerous Idea', en ze zijn onnodig, zoals Dennett op toch wel overtuigende wijze laat zien. Tenslotte worden ook nog wat andere, onschuldiger theorieën onschadelijk gemaakt, zoals de opvatting dat het leven uit het heelal afkomstig is, of dat het al verschillende keren opnieuw ontstaan is: “Aardige theorieën, maar irrelevant.” Je ziet Dennett bijna tevreden achterover leunen. Hij is dan inmiddels aangekomen in het laatste deel, dat gewijd is aan de razendsnelle culturele ontwikkeling die de mens in de afgelopen paar honderdduizend jaar heeft doorgemaakt. Opnieuw in strenge navolging van Dawkins ziet Dennett deze als het directe gevolg van een evolutie van memen. Dit zijn ideeën, gewoontes en methoden die zich onder de hele mensheid hebben kunnen verspreiden. Hierdoor kan er tegenwoordig binnen een enkele generatie een vooruitgang optreden die de resultaten van miljoenen jaren 'gewone' evolutie in de schaduw stelt. Wij begrijpen fenomenen, die voor zelfs de meest geniale tijdgenoten van onze voorouders volkomen ondenkbaar waren! Taal heeft bij dit alles een doorslaggevende rol gespeeld, en Dennett zou Dennett niet zijn als hij ook op dit gebied weer de confrontatie met een autoriteit, Noam Chomsky, opzoekt. Deze taalkundige ontwikkelde de theorie dat ons taalvermogen aangeboren is, maar ontkent - samen met Gould en tot verbazing van Dennett - een evolutionaire oorsprong. Ook op dat gebied zijn 'skyhooks' onnodig.

Toch is er voor Dennett een grens. Die bereikt hij wanneer hij op zoek gaat naar de oorsprong van de moraal. Hier moeten de sociobiologen het ontgelden. Zij beweren immers bij monde van hun voorganger E.O. Wilson dat 'de moraal slechts een adaptatie is om onze voortplantingskansen te bevorderen'. Dat gaat de aarts-reductionist Dennett toch te ver. Voor hem zijn sociaal gedrag en solidariteit binnen een groep veel eerder cultureel bepaalde verschijnselen. De sociobiologen willen te veel en maken zich schuldig aan 'greedy ethical reductionism'. De mens is, anders dan alle andere diersoorten op aarde, in staat boven zijn biologische beperkingen uit te groeien of er zelfs aan te ontsnappen: wij hebben als culturele wezens eenvoudig de beschikking over machtiger 'cranes' dan welke andere diersoort ook.

Prikkelend

Darwin's Dangerous Idea is een schitterend boek. Het biedt in de eerste plaats een zeer goed overzicht van de wetenschappelijke ontwikkelingen in de afgelopen honderdvijftig jaar op het gebied van de evolutietheorie, al moet van tijd tot tijd Dennetts gekleurde bril voor lief worden genomen. Tegelijkertijd is het een prikkelend boek; het daagt uit en brengt je er voortdurend toe naar de boekenkast te lopen om dingen na te slaan. Keer op keer slaagt Dennett erin om je met een aantal listig gekozen fabels en gedachtenexperimenten op het verkeerde been te zetten en zo dwingt hij je bijna ongemerkt lang gekoesterde bezwaren te laten varen.

Het zou flauw zijn hem te verwijten al te veel te leunen op 'experts' als Richard Dawkins of Manfred Eigen, hij is eerlijk genoeg om toe te geven dat hij 'slechts' een filosoof is. Waar hij in 1991 nog de pretentie had het bewustzijn te hebben verklaard - wat een al te boude bewering is gebleken - slaagt Dennett dit keer volkomen in zijn opzet de schoonheid en verklaringskracht van het evolutionaire proces in alle relatieve eenvoud te tonen.