Het Arabisch is heilig; Gesprek met Sapho, zangeres voor Israeliërs en Palestijnen

De Franse zangeres Sapho groeide op in Marokko, maar was niet thuis in de Arabische cultuur. Een paar jaar geleden waagde ze zich toch aan El Atlal, een bekend Arabisch liefdesgedicht. Sapho, zelf van joodse komaf, zong het in Jeruzalem voor een gemengd publiek. “Als ik niet bang ben voor een voorstelling, wordt het voor niemand interessant.”

Sapho zingt El Atlal op 16 sept. tijdens het Rotterdam World Music Festival in De Doelen en op 22 sept. in De Melkweg in Amsterdam. Cd: Chante Oum Kalsoum/El Atlal. Gorgone 432 017, distr. EMI. Haar oudere platen zijn voor het merendeel alleen antiquarisch te vinden. Heruitgebracht op cd zijn: Passions, Passons (Celluloid 66770-2) en Live au Bataclan (Celluloid 66806-2).

“Ze zien me in Frankrijk als een 'chose singulière', een geval apart, ze kunnen me moeilijk plaatsen. Ik maak geen deel uit van de show business, ze kennen me eerder als iemand die optreedt in literaire praatprogramma's dan als zangeres.” Het is een van de weinige keren dat Sapho, zoals altijd geheel in het zwart gekleed, een antwoord niet afsluit met een schaterlach en het wordt duidelijk waarom. Ze zou graag een grotere aanhang hebben. Dat is begrijpelijk, maar een gevolg van dertigduizend trouwe fans (een schatting van haarzelf) lijkt toch niet slecht voor een artiest met een grillige carrière als de hare. Want Sapho (echte naam en leeftijd onthult ze niet) zong niet alleen in heel verschillende stijlen, ze deed ook verder altijd datgene waar ze zin in had. Ze schreef filmmuziek, publiceerde een boek met pentekeningen plus drie romans - een vierde is in de maak - en speelde de rol van Jenny in de Dreigroschenoper van Weill en Brecht.

Dat laatste deed ze in 1991, toen ze al acht platen op haar naam had staan en het spelen van toneel vrijwel afgezworen had na grote teleurstellingen in de jaren zeventig. Want een gevierd actrice worden, dat was het idee waarmee de in het Marokkaanse Marrakech opgegroeide Sapho in 1968 naar Parijs was getrokken. “Mijn ouders vonden toneelspelen niets voor mij. Ik moest maar leraar of rechter worden. Of eigenlijk nog liever: trouwen met een rechter. Maar ik stribbelde niet tegen toen ze een Zwitserse kostschool voorstelden. Ik zag het als een acceptabele mogelijkheid om het huis uit te gaan. Vervolgens ging ik naar Parijs in de verwachting de doemverhalen van mijn ouders - je zult geen werk krijgen, je zult verhongeren - te logenstraffen. Na jaren sappelen moest ik ze echter gelijk geven. Mijn toneelloopbaan was geen succes geworden. Achteraf weet ik waarom: het past niet bij mijn temperament afhankelijk te zijn. Want dat is het rampzalige van actrice zijn: je bent altijd een object in de scenario's van anderen.”

Sapho's eerste plaat, Le Balayeur du Rex, verscheen in 1977, toen ze al bijna tien jaar in Parijs woonde. “Men zegt dat wat je leert in de ene kunstvorm ook toepasbaar is in een andere. In mijn geval bleek dat te kloppen. Ik wist dat ik kon zingen, weliswaar niet heel goed maar in elk geval niet vals. Als je dan doorzet en je techniek verbetert, kun je er komen.”

Waar ze daarbij precies op mikt, wordt uit haar platen niet zo duidelijk. Op Passions, Passons uit 1985, met onder andere een compositie van Erik Satie, doet ze soms aan Kate Bush denken, ook door de rijke produktie. Op Live au Bataclan van twee jaar later pakt ze veel rechtlijniger uit, bij vlagen als een 'blues shouter' oude stijl. Eén ding hebben haar platen wel gemeen: ze arrangeert ze zelf. Ook de teksten schrijft ze vrijwel altijd zelf.

Omgangsvormen

In 1991 verscheen Sapho's voorlaatste cd, La Traversee du Desir, die ook een gecomprimeerde versie van El Atlal ('De Ruïnes van de Liefde') bevat, een poëtisch liedesgedicht in klassiek Arabisch, beroemd gemaakt door de in 1975 overleden Egyptische diva Oum Kalsoum.

“Arabisch is voor mij bekend en vreemd tegelijk. Tijdens mijn jeugd sprak en schreef ik Frans maar om me heen hoorde ik het Marokkaanse dialect. Niet alleen de taal week overigens af van wat ik thuis gewend was, ook de omgangsvormen waren anders. Mensen raakten je aan, bijvoorbeeld als ze met je spraken. Dat betekende geen uitnodiging tot het een of ander, het hoorde gewoon bij een ander soort leven, een ander landschap en een ander tempo. Oum Kalsoum past bij dat andere leven, dat ik alleen van de buitenkant kende. Het was een uitdaging om er in door te dringen. Wat ik daarbij onderschat heb is de taal, die zo heilig is als een fetisj. Ik had een paar jaar Arabisch op school gehad, maar dat was lang niet voldoende om van die tekst iets behoorlijks te maken. Toen ik besloot om het hele werk op te nemen op een aparte cd wist ik niet waaraan ik begon. Gewoonlijk werk ik als een jager die wacht op het goede moment, maar deze keer kon dat absoluut niet. Eli Achkar, mijn repetitor, liet me eindeloos schaven aan uitspraak en frasering.”

Haar grootste triomf met El Atlal beleefde Sapho, zelf van joodse komaf, in mei 1994 in Jeruzalem waar ze optrad voor een stampvolle zaal met gemengd joods/islamitisch publiek.

“Het was een risico maar ik moest het doen, al ging bij de voorbereidingen bijna alles mis. De musici die ik meegenomen had, voornamelijk Tunesiërs en Libanezen, trokken zich op het laatste moment terug. Mijn manager wilde de zaak afgelasten maar ik zette door, al zou ik het a capella moeten zingen. Tenslotte vond ik lokale musici die wel durfden. Ik deed eerst een uitvoering in Nazareth, voor een klein, puur Palestijns publiek, dat het stuk helemaal van buiten kende. Toen dat goed uitpakte dacht ik: dan moet het het in Jeruzalem zeker lukken. En dat gebeurde ook: Palestijnen en Israeliërs dansten aan het einde vredig samen, al was het dan misschien maar voor één avond.”

Sapho heeft het stuk, in een entourage van olielampjes, fraaie draperieën en andere theatraliteiten, inmiddels ook in Nederland opgevoerd, in beide gevallen voor een onverwacht uitverkochte zaal. “Wat is het nut van veilige kunst? Als ik niet bang ben voor een voorstelling, dan wordt het voor niemand interessant. Ik weet door El Atlal in elk geval één ding zeker: ik zal rockmuziek nooit meer zingen zoals vroeger.”