Dansen bij een bloemenfilm; Nederlands Filmmuseum laat oude bioscoopsfeer herleven

Orkestjes, explicateurs, zangeressen en toneelspelers traden begin deze eeuw tijdens en tussen de films op in de bioscoop. Het Nederlands Filmmuseum wil in de reeks 'Honderd jaar bioscoopvoorstelling' de sfeer uit de jaren tien, dertig en vijftig laten herleven, onder meer met optredens van de Gebroeders Flint bij historische filmfragmenten.

'Honderd jaar bioscoopvoorstelling: De jaren tien'. Nederlands Filmmuseum, Vondelpark 3 te Amsterdam. 21 t/m 24 sept. en 28 sept. t/m 1 okt. 20.30u. 24 sept. en 1 okt. ook om 15u.

'Oh lieve kinderen, wat zal er van ons worden, nu dat vader van ons is heengegaan? Nu zijn we aan de liefdadigheid overgeleverd, arme lieve kinderen. Vader die altijd zo goed voor ons geweest is.. Moge de hemel hem beschermen', zegt de moeder bij monde van de explicateur. Een licht snuiven in de bioscoopzaal doet hem begrijpen dat hij op de goede weg is en hij besluit er een schepje bovenop te gooien door een der nieuwbakken weesjes aan het woord te laten: 'Kom lief moedertje, wij zijn er toch nog om het verdriet te dragen. Wij zullen voor je werken moedertjelief en u helpen het verdriet te dragen.'

Maar dan gaat het mis: op het doek zwaait een deur open en de door de explicateur doodgewaande vader keert, zwaar beschonken, terug in de schoot van het gezin. Terwijl op het doek echtelijk handgemeen ontstaat, herstelt de explicateur zich met de woorden: 'Maar gelukkig, dames en heren, het ongeluk bleek gisteren niet zo ernstig te zijn geweest, hij mocht weer op straat.' 'Ik was door het ergste heen,' verhaalt explicateur Max Nabarro, die wegens tijdgebrek de film waarbij hij moest expliceren niet had gezien. 'Het scheen dat men mijn vergissing niet eens had bemerkt.'

Nabarro's memoires, in 1992 door het Nederlands Filmmuseum uitgegeven, vormen een van de schaarse schriftelijke bronnen voor wat bioscoopvoorstellingen in de jaren tien geweest moeten zijn. Het Nederlandse acteursduo De Gebroeders Flint is een van de middelen waarmee het Filmmuseum volgende maand zal proberen de sfeer van bioscoopvoorstellingen in de jaren tien te reconstrueren, deel van het project 'Honderd jaar bioscoopvoorstelling' waarin later in het seizoen ook de jaren dertig, vijftig en het jaar 2010 aan de orde zullen komen.

Arthur Kleintjens en Nico de Klerk, organisatoren van de serie, lijken zich over hun eigen project enigszins te verkneukelen. 'Honderd jaar bioscoopvoorstelling' past uitstekend in het beleid van het Filmmuseum van de laatste jaren, van het voorstellingsbeleid meer te maken dan een cinematheek-achtige vertoning van hoogtepunt uit de filmgeschiedenis. “Bij filmgeschiedenis wordt bijna altijd vanuit de film gedacht,” zegt De Klerk, “zelden vanuit de toeschouwer. Maar je mag er rustig van uitgaan dat de gemiddelde bioscoopbezoeker in de afgelopen honderd jaar niet geïnteresseerd is geweest in stijlen of stromingen. Zo goed als hij door de decennia heen een veel breder scala aan films heeft gezien dan die filmgeschiedenis traditioneel heeft behandeld: journaals, documentaires, natuurfilms, enz.”

Neem de jaren tien: film is dan allang geen kermisattractie meer, en Amsterdam en andere steden kennen al gespecialiseerde bioscopen. Van een monopolie van film alleen is daar evenwel geen sprake: afgezien van de muzikanten en de explicateurs - sommigen van hen, schrijft Nabarro, schroomden niet om staande naast het doek bepaalde rollen mee te spelen - waren er juffrouwen die liederen zongen, of acteurs die een kort toneelstukje ten beste gaven. Van een hoofdfilm was geen sprake: het programma bestond veelal uit een aantal verschillende genres (fictie, documentaire, natuurfilm, etc.), vertoond volgens wat later het Cineac-principe zou gaan heten. De continue voorstelling,met wel acht of tien verschillende rolprenten, kon op willekeurig welk moment worden betreden en regelmatig riep de explicateur de toeschouwers dus op de zaal te verlaten, wanneer zij de gehele cyclus hadden gezien.

Van het respect voor het kunstvolle medium film, kortom, was in de jaren tien nog maar weinig sprake en de organisatoren van 'Honderd jaar bioscoopvoorstelling' lijken dat met een zekere verlekkering te constateren. Dit gegeven biedt bijvoorbeeld ook de gelegenheid om het een en ander te laten zien uit de omvangrijke collectie van het Filmmuseum, die lang niet alleen - of misschien zelfs maar voor een klein deel - uit 'kunstfilms' bestaat. De boerenklucht en de bloemenfilm liggen al klaar.

Chorus-girls

Ook voor de herleving van een avondje bioscoop in de jaren dertig, in december, gaan de gedachten eerder uit naar een herleving van de populaire bioscoopcultuur van de Amsterdamse Nieuwendijk dan naar de strenge normen van de kunstlievende Filmliga. “Sommige theaters hadden chorus-girls, de Royal-girls of de Corso-girls,” vertelt Kleintjens, “dat zou mooi zijn, om dat te laten herleven.” Voor de hoofdfilm - want dat instituut is dan inmiddels al uitgevonden - gaan de gedachten uit naar een mooie Duitse 'zwijmelfilm' uit de jaren dertig.

Voor de jaren vijftig, in januari, heeft men het oog laten vallen op de werken van William Castle, een uiterst vruchtbaar Amerikaans regisseur van B-films, die de strijd met de opkomende televisie in de VS aanging met onconventionele middelen. Niet voor niets draagt zijn autobiografie de pakkende titel Step right up! I'm gonna scare the pants off America. Zo stelde hij toeschouwers in staat tot het aangaan van een kortlopende levensverzekering voor de duur van de vertoning, voor het geval dat zij tijdens het bioscoopbezoek van schrik zouden komen te overlijden. En in een atmosfeer, wellicht enigszins vergelijkbaar met die van een spookhuis op de kermis, bleven de pogingen de bioscoopganger een onvergetelijke avond te bezorgen, geenszins uitsluitend tot het projectiedoek beperkt.

Beide organisatoren zijn nog druk aan het denken over de vorm voor hun bioscoopavond anno 2010, die in maart volgend jaar de serie moet afsluiten. Is film dan bijvoorbeeld nog drager van het beeld? De Klerk betwijfelt dat, maar vindt het helemaal niet erg: “de eigenlijke drager is niet film of digitaal bestand, maar de voorstelling”. En wat moet er vertoond worden? “Het is verleidelijk er een cirkel van te maken, waarbij in 2010 een soort found footage van nu te zien is, vergelijkbaar met die uit de jaren tien van onze eeuw,” heet het.

Verveeld orkest

Dan ontaardt het gesprek enigszins, want het begrip bioscoopvoorstelling nodigt al vlug tot het uitwisselen van persoonlijke indrukken of herinneringen uit. Over de eigenaardigheden van de inmiddels niet meer functionerende Leidse sexbioscoop Rex bijvoorbeeld, waar De Klerk ooit naast gewoond heeft. “Die lag in de drukke Haarlemmerstraat, die op zondag helemaal verlaten was. Als ik op zondag naar huis liep, wist ik van bijna elke passant dus bijna zeker dat ie naar de Rex ging of er was geweest.”

Persoonlijk zou ik nog graag eens zo'n geroutineerd en een beetje verveeld spelend orkest horen als waarmee in de jaren vijftig nog in de City of de Tuschinski (beide nog niet opgedeeld in kleine zaaltjes) het voorprogramma - meestal bestaande uit variéténummers van bescheiden gehalte - werd begeleid. Maar wat op mij als kind de meeste indruk maakte, was de manier waarop het orkest inzette nadat de projectie van de hoofdfilm al begonnen was en het gordijn langzaam openschoof. Het orkest speelde dan steeds zachter, terwijl de operateur het geluid van de film harder draaide. Het klopte nooit, kan ik me herinneren - er was altijd een kwart of een halve noot verschil in toonhoogte.

Maar al die herinneringen vallen in het niet bij een herinnering van mijn vader, die voorafgaand aan een film eens de grote acteur Louis Bouwmeester het verhaal van Saïdja en Adinda uit Multatuli's Max Havelaar heeft horen voordragen, staande naast een palm in pot, en regelmatig de voordracht onderbrekend voor een scherpe terechtwijzing van een al te luidruchtige bioscoopbezoeker. Hoezo, in de bioscoop geen kunst?