Nederlands bizarste bouwsels in kaart gebracht; De verrukkelijke nutteloosheid van de folly

Nepgraven, sierkluizenarijen, Gaudí-achtige fantasiekastelen. Nederlandse tuinen en landgoederen staan vol nutteloze schijngebouwtjes. Ze behelzen intrigerende petites histoires over hun opdrachtgevers, soms even gek als de follies zelf.

Follies: Bizarre bouwwerken in Nederland en België door Wim Meulenkamp, uitg. Arbeiderspers, 1995. ƒ 49,50.

Ze zijn de stiefkinderen van de architectuurgeschiedenis, de buitenbeentjes van de tuin- en landschapskunst: de follies. Een folly is een bouwkundige dwaasheid, een bizar en nutteloos bouwsel voor in de tuin of op het landgoed. Ze kunnen zich voordoen als torens en tempels, pagodes en paviljoens, belvedères en boerenherbergen, rotsen en grotten, kapellen of kluizenarijen en schijnruïnes - alles make believe. Ze zijn - hoe kan het ook anders - in Engeland ontstaan aan het begin van de achttiende eeuw als onderdeel van de romantische landschapsstijl; de mode waaide over naar het Europese vasteland en floreerde hier tot in de tweede helft van de vorige eeuw. En nog steeds zijn er doe-het-zelvers die hun eigen follies in elkaar knutselen.

Is dat wat nutteloos is, ook overbodig? Nee! Aan wie het zien en horen wil hebben follies veel te vertellen. Ze weerspiegelen de ontwikkelingen in de architectuur van tuinen, landschappen en gebouwen en fluisteren intrigerende petites histoires over hun soms zeer speciale opdrachtgevers. Bovendien kunnen nutteloze bouwwerken een functie hebben in het scheppen van een sfeer, ze kunnen een wandeling door een landschapspark tot een allegorie van het leven zelf maken. Een geliefd onderdeel van zo'n romantisch park was bijvoorbeeld een 'vallei des doods' met donkere beplanting, een graf, een beek die de Styx moest verbeelden en - voor wie all out ging - dode bomen langs het wandelpad en ergens in een kuil een kunstig gedrapeerd geraamte.

Nederlands expert op folly-gebied is kunsthistoricus Wim Meulenkamp. Nadat hij en drie medestudenten op dit onderwerp afstudeerden - als eersten, zelfs in Engeland - schreef hij enkele jaren geleden samen met de Engelsman Gwyn Headley een boek over follies in Engeland, Schotland en Wales. Nu heeft hij met steun van het Fonds voor bijzondere journalistieke projecten een boek gepubliceerd over zo'n duizend follies in Nederland en België. “Ik had zelf ook nooit gedacht dat het er zo veel zouden zijn in het calvinistische Nederland”, zegt Meulenkamp. Hij kon lang niet alle follies die er bestaan in het boek opnemen. Engeland had van oudsher meer rijkaards die follies in opdracht lieten bouwen. “De Nederlandse adel hoefde niet zo nodig, die is altijd wat stijfburgerlijker gebleven. Hier vind je dan ook relatief meer follies van particuliere hobbyisten.”

Het landgoed De Haere in het Overijsselse Olst heeft alles wat het hart van de folly-liefhebber sneller doet kloppen. In de bossen achter het kasteel schuilt een schijnruïne, gebouwd door een kasteelheer die zo gek was als een deur. Het kloeke bakstenen bouwwerk bestaat uit een ronde toren en een rechthoekige uitbouw met kantelen. Als het er niet zo bouwvallig uitzag - is dat opzet, of wordt hier de schijn door de werkelijkheid ingehaald? - zou je zweren dat het een hedendaags kunstwerk was van Per Kirkeby of Pjotr Müller. “Het verhaal gaat dat de eigenaar van De Haere, de zonderling Pierre Gustave Voûte, in Parijs was ten tijde van de opstand van de Commune in 1870 en daar een trauma aan overhield”, vertelt Meulenkamp. “Thuis wilde hij zich de Communards nog steeds van het lijf houden. Hij liet een ringmuur bouwen en deze toren, die door een boog met een tweede toren verbonden moest worden. Voor zo ver ik weet is die er nooit gekomen, evenmin als de onderaardse gangen die ze met het kasteel moesten verbinden.” Lokaal maakt men het verhaal nog mooier, volgens Meulenkamp, door het te situeren ten tijde van de Franse Revolutie. Dat het soort baksteen onomstotelijk negentiende-eeuws is en niet ouder, doet daar niets aan af.

De plaatselijke legendes hebben zich eveneens meester gemaakt van de follies op het landgoed Vilsteren, een katholieke enclave in Overijssel. Meulenkamp schrijft erover in zijn boek: “De wandelaar loopt in de verkoelende schaduw van de knoestige, kunstig gewrongen eikebomen, puft wat aan zijn sigaar, neemt een slokje uit de flacon met jenever, en voelt zich als de menselijke stoffage op een oude prent.” Als eerste passeren we de Slakkenberg - een van de drie of vier in Nederland -, een heuveltje waar een pad als een spiraal omheen draait totdat je eindelijk de top hebt bereikt. Daar staat als beloning een bankje, vanwaar men het landschap in ogenschouw kan nemen.

We ploegen verder door het warme zand om tenslotte uit te komen boven een 'vallei des doods' met tussen voorgeschreven donkere beplanting een schijngraf, en verderop de sierkluizenarij, een hut van gevlochten takken waar zogenaamd de heremiet woonde. Het is prettig hier in de schaduw tussen de geurige dennebomen, van de beoogde melancholie is geen spoor - en toch heeft de plek een gewijde sfeer waar we onwillekeurig stil van worden. Het verbaast me dan ook niet wanneer Meulenkamp vertelt dat bij de restauratie door de Katholieke Plattelands Jongeren in de jaren tachtig, men ook op zoek is gegaan naar de botten van de ingezetene. Desalniettemin speculeren de zondagse wandelaars graag over de vraag wie er in zal liggen: de heremiet zelf, die tot zijn dood in de hermitage op de heuvel hierachter schijnt te hebben gewoond? Of zijn geliefde, wier overlijden de aanleiding was zich uit het wereldse leven terug te trekken?

Eind achttiende eeuw waren er in ieder geval twee landheren in Nederland, een in Velp en een in Driebergen, die daadwerkelijk sierkluizenaars 'hielden'. In zijn Magazijn van Tuin-sieraaden uit 1802, het op één na grootste voorbeeldenboek voor follies in Europa dat minstens vijf maal is herdrukt, suggereert de Nederlander Gijsbert van Laar als alternatief een heremiet van hout of was. Vilsteren heeft nooit een levende heremiet gehad - behalve die ene dag dat Meulenkamp ten behoeve van een rondleiding van een historisch genootschap zich in een pij hulde, een baard opplakte en ineens tussen de bomen verscheen om het negentiende-eeuwse gedicht van Elizabeth Maria Post 'Aan mijn Hutjen' te declameren. “Ik heb het kostuum als 'representatiekosten' van de belasting afgetrokken. Het leek me zo leuk om dat bij de inspecteur te komen toelichten”, aldus Meulenkamp.

De Vilsterse sierhermitage heeft een rieten dak, wanden van gevlochten takken ('teenwerk'), twee rustieke zitbanken van in de lengte doorgezaagde boomstammen en boven de opening een houten hart met inscriptie: Contritum et Humiliatum Deus non Despicies, God kijkt niet neer op spijt en nederigheid. Achter een deur bevindt zich de 'woonruimte', een houten tafel met twee boomstronk-stoelen en een bed van varens met een deken eroverheen. Dat deze idyllische plek nog steeds in trek is voor een ogenblik van gelukzalige eenzaamheid, blijkt als we op het punt staan om weer weg te lopen: op de boomstambank ligt een beduimeld exemplaar van de Chick.

Meulenkamps boek houdt het midden tussen een gids en een vertelling. Hij schrijft zoals hij praat: altijd erudiet, vaak grappig en soms lekker vilein. Zoals over de welvarende Antwerpse buitenwijk Brasschaat: “Hier mengt zich nieuw met fonkelnieuw geld, en is het op zijn best mauvais goût wat we zien - men gaat gekleed in foute jasjes, woont in foute huizen, rijdt in foute auto's, heeft foute kinderen en foute ouders, hier denkt men fout, betaalt men fout, sterft men fout.” Nu was het ook wel veel moeilijker om in België follies te vinden en er toegang toe te krijgen dan in Nederland; hij is er meer dan eens - letterlijk - onder vuur genomen, en alleen al de vrees dat Meulenkamp iets met de overheid van doen zou hebben was reden hem niet te ontvangen.

Daarentegen staat er altijd een borrel klaar bij Willem Ham in het plaatsje Holkerveen (bij Nijkerk). Deze marktkoopman, meubelhandelaar en amateur-wildjager in ruste is tevens bouwer en bedenker van 't Hammetje, een zelfbouw-folly in optima forma. De twee grillige torens zijn van allerlei soorten steen opgebouwd en versierd met talloze beelden en beeldjes, van een mini-Venus tot een paardekop; bovenop het brede portaal pronkt een heuse straatlantaarn. Door de bewegingen van de windvanen - twee zeemeerminnen, een Neptunus, een paard, een galjoen - lijkt het dak te dansen. Ham gaat ons op zijn beschilderde klompen voor, tussen de stenen leeuwen en houten windmolentjes op het 'erf', naar de eerste verdieping van de hogere toren, Willem II, met een mooi uitzicht over de grote vijver erachter, waarin hij van puin een reeks 'Wadden-eilanden' heeft laten storten. De kopjes en theepot staan er nog van een bezoek van zijn kleinkinderen aan dit Gaudí-achtige fantasiekasteel. Dat was zo te zien enige tijd geleden, het lijkt wel een tea party van de Addams Family.

't Hammetje is hem als een voltooid visioen voor ogen verschenen, vertelt Ham. “Toen ik zestig werd heb ik de meubelzaken aan mijn zoon overgedaan en ze beloofd dat ik me een half jaar niet zou laten zien. Maar toen liep ik hier een beetje met m'n ziel onder m'n arm, hè. Ik zag dat puin dat voor de eilandjes werd gestort en dacht ineens: daar zitten mooie stenen tussen! Een paar weken later lig ik 's avonds in bed - ik was nog klaarwakker hoor, maar wel moe van het stenen sjouwen - en ineens zie ik dat hele bouwwerk voor me. Precies zo is het ook geworden. De eerste steen is 20 oktober 1988 gelegd en anderhalf jaar later was het klaar.” Met deze mooie zomeravonden gaat hij weleens op het balkon van de hogere toren op z'n trekharmonica spelen. “Dat klinkt heel mooi over het water. Soms bellen ze op vanuit het café in het dorp en zeggen ze: toe Willem, speel nog een stukje.”

Het is lang niet altijd eenvoudig om follies op het spoor te komen. Met het vergaren van materiaal voor dit boek over de Benelux is hij sinds begin jaren tachtig al bezig. “Ik weet het vaak 'van horen zeggen', maar het is ook een kwestie van intuïtie en ervaring. Een grote rode beuk naast een kasteel kan een aanwijzing zijn: dat zijn decoratieve bomen, en een kasteelheer die daar gevoel voor had, had misschien ook plezier in follies.”

Andere staan domweg aan de kant van de weg, zoals de gepleisterde toren uit 1849 met zuilen en blinde Gothische vensters langs de weg tussen Woudenberg en Leusden. Meulenkamp vermoedt dat dit een ontwerp is van Jan David Zocher, volgens hem een van de meest begaafde architecten van de negentiende eeuw en een figuur van internationaal niveau. Nog curieuzer is de Uilentoren in Leersum, een Jugendstil-achtige vierkant bouwwerkje uit begin deze eeuw dat op een rotonde tegen de bosrand aanstaat. De onderkant is een loze loggia, met langs de zijkant een trap naar het uitkijkplatform bovenop, tussen de vier gebeeldhouwde uilen op de hoeken. Een merkwaardig dingetje, zeker als het tot je doordringt hoezeer het lijkt op de eindeloze in zichzelf draaiende toren met trap van Escher.

Als de follies gevonden zijn, begint de zoektocht naar de achtergrond ervan. Uit tijdgebrek haalt Meulenkamp de meeste feiten, of liever gezegd verhalen, niet uit archieven (“Wetenschappelijk is dat natuurlijk een schande.”) maar uit de architectuurhistorie en uit lokale geschiedschrijving. “Regelmatig blijken verhalen en jaartallen uiteen te lopen of zelfs elkaar tegen te spreken. Maar in de fröhliche Wissenschaft van de follykunde moet je een goed verhaal niet doodchecken.”

Naar het eind van de negentiende eeuw, zeg maar rond 1870, raken follies uit de mode en begint de afbraak. Ze verdwijnen nog steeds, hetzij door verwaarlozing hetzij door welbewuste sloop. Ten onrechte, vindt Meulenkamp, worden follies niet als volwaardig onderdeel van de geschiedenis van de (tuin)architectuur gezien. Bij Huize Vliek in Ulestraten stond er bijvoorbeeld een juweel uit de tweede helft van de negentiende eeuw: een façademuur met kantelen en torentjes met eraan vast een schuurtje, een kennel en de rentmeesterswoning. Hoewel deze folly uniek was in Nederland kreeg een projectontwikkelaar nog maar een paar jaar geleden toestemming om hem te slopen. “Het onbegrijpelijkste is dat de sloop met toestemming van de Rijkscommissie voor de Monumenten geschiedde, die vol zit met hoogleraren in de architectuurgeschiedenis. Tja.”

Wat teloor is gegaan krijg je niet meer terug, hoewel... Meulenkamp heeft weleens gehoord van plannen om van verdwenen follies replica's te laten bouwen. “Ik ben benieuwd wanneer het eerste neo-neo-Gotische bouwsel in Nederland het licht zal zien. Follies worden weer salonfähig. Toch ook een beetje jammer.”

    • Tracy Metz