De buitenspelval staat wagenwijd open

De voorzitter van WGZ (Wit Grijs Zwart), is een niet te benijden man. Vroeger was zijn WGZ een florerende voetbalvereniging. Twintig elftallen, vijf goed verzorgde velden, uitstekende trainingsfaciliteiten en altijd een uitverkocht huis. De eerste drie elftallen draaiden in de jaarlijkse competitie moeiteloos bovenin mee. Als gevolg van het succes wilde iedereen in het dorp die een beetje kon voetballen lid worden.

Wie niet voetbalde, hoorde er niet bij. Op zich mooi, maar de problemen begonnen toen de resultaten minder werden. Juist toen de publieke belangstelling en daarmee de inkomsten terugliepen, was de ledenaanwas nauwelijks bij te benen. Als gevolg van geldgebrek zijn nog maar twee van de vijf velden bespeelbaar. De problemen zijn legio: de clubkas zo goed als leeg, te veel spelers voor de tien elftallen die nog in competitie zijn en de accommodatie dringend aan vernieuwing toe. Tot overmaat van ramp kent de vereniging ook hoe langer hoe meer inactieve leden die nauwelijks contributie betalen, maar wel recht hebben op een dure seizoenkaart. Zo was in beter tijden nu eenmaal besloten in de algemene ledenvergadering.

Het eerste elftal speelt weliswaar nog steeds hoofdklasse, maar het is elk jaar vechten tegen degradatie. Om zich op dat niveau te handhaven, moeten de eerste-elftalspelers steeds harder trainen, terwijl daar steeds minder tegenover staat. Kregen ze vroeger nog wel eens een nieuw trainingspak, de laatste jaren is dat er niet meer bij. De onderlinge concurrentie is groot. Als er al een plaats vrijkomt, dan wordt deze direct opgevuld door een veelbelovende jeugdspeler. Voor oudere en minder getalenteerde spelers is het derde het hoogst haalbare. Maar de echte problemen doen zich voor bij de lagere elftallen.

Eén probleem is dat ondanks het hobbelige veld, de verveloze kleedkamers en een groot aantal blessures er voor elke wedstrijd van het zevende en het achtste nog altijd veertig spelers komen opdraven. Ze hebben het een tijdje geprobeerd met veel wisselspelers en snel wisselen. Dat leek aardig, want dan kon je steeds verse spelers inzetten. Vijf wedstrijden en tien verliespunten verder zijn ze daar toch maar weer vanaf gestapt. Er moest wel worden gewonnen, vond de trainer.

Na verloop van tijd waren het dan ook steeds dezelfden die reserve stonden of zich helemaal niet om hoefden te kleden. Sommigen van hen is het gelukt door vaker en harder te trainen alsnog een plaats in het elftal te bemachtigen. Dat was mooi, maar uiteindelijk was gewoon een ander de klos. Om meer, voornamelijk minder getalenteerde spelers een kans te geven heeft de gemeenteraad, na lang aandringen door de wethouder van sportzaken, elf shirtjes geschonken. Over de vraag tegen wie en op welk veld ze moeten spelen wordt nog nagedacht.

Het gevolg van alles is dat een groot aantal leden buitenspel staat en nooit meer een balletje trapt. Sommigen hebben daar moeite mee. Temeer, omdat er wordt gefluisterd, dat er in het tiende regelmatig spelers van buiten het dorp schijnen mee te doen die helemaal geen lid zijn. Anderen nemen dat makkelijker op. Die willen wel voetballen, maar alleen op zaterdagmiddag na drieën, alleen als het mooi weer is en zeker niet in het tiende.

Enerzijds komt dat de voorzitter eigenlijk niet eens zo slecht uit. Hij heeft toch al spelers te veel en plaatsen te weinig. Anderzijds brengt het hem in verlegenheid als bijvoorbeeld het samenstellen van een gelegenheidselftal om deel te nemen aan een jaarlijks toernooi in Limburg een schier onmogelijke opgave blijkt. Toen de penningmeester voorstelde om deze mooi-weervoetballers het recht op een seizoenkaart te ontzeggen, is vrijwel het hele dorp over hem heen gevallen.

De problemen zijn echter van dien aard dat voor de aanvang van het nieuwe seizoen duidelijkheid is geboden. Zolang de competitie geen ruimte biedt voor meer elftallen of de spelregels niet worden gewijzigd, staat een groot aantal leden langs de lijn. Het bestuur stelt daarom het volgende voor. Jeugdspelers mogen elk een seizoen onderlinge oefenpotjes van twee keer een half uur spelen in de hoop dat ze later nog een keer in competitieverband aan de bak kunnen. Niet actieve leden houden recht op een eigen seizoenkaart, maar moeten daar wel iets voor doen.

Wat? Dat was gauw gevonden. De tribune moet nodig worden opgeknapt, het onkruid gewied en de kantine moet worden schoongehouden. Allemaal werk dat, nadat de kantinejuffrouw een basisplaats in het dameselftal had verworven en de twee vaste terreinknechten waren ontslagen, was blijven liggen. Leden, die daar niet aan willen, worden geroyeerd of krijgen slechts een seizoenkaart voor een onoverdekte staanplaats. Deze laatste keuze is aan de ledenvergadering. Daar brandt het bestuur liever de vingers niet aan.