Rijke burgers laatste hoop in Chinese onderwijs

Het analfabetisme is in de Volksrepubliek China nog altijd zeer groot. Meer dan 180 miljoen mensen kunnen lezen noch schrijven. De autoriteiten hebben het 'hoop-project' opgezet om, met de hulp van “Chinese burgers met een iets dikkere portemonnaie” het analfabetisme te bestrijden.

HUALOUGOU, 22 AUG. Zhu Xiaoqing (11) en zijn achtjarige broertje gaan sinds kort samen naar school. Dat bevalt Xiaoqing; nu hoeft hij de lange weg van huis naar school niet meer alleen af te leggen. Vroeger was dat anders. Toen bleef Xiaobo, zijn jongere broer, thuis. Schoolgeld voor een tweede kind hadden zijn ouders niet en de hulp van Xiaobo kon goed gebruikt worden op de boerderij. Xiaobo's schoolgeld wordt nu betaald door een weldoener uit Peking.

Meer dan 180 miljoen mensen in China hebben nooit onderwijs gevolgd en kunnen dus lezen noch schrijven. De meesten daarvan, ruim 140 miljoen, wonen op het platteland. Volgens Guo Qijia, hoogleraar onderwijsgeschiedenis aan de Universiteit voor Onderwijskunde, zijn dat vooral kinderen uit de grensregio's van China, waar de meeste etnische minderheden wonen. De meeste analfabeten zijn meisjes en 'tweede zoontjes'. Dat is deels het gevolg van de Chinese één-kind-politiek en deels het gevolg van het bestaan van traditionele waarden, zoals het voortrekken van economisch waardevol geachte zoontjes.

Guo zegt dat overeenkomstig de traditie het oudste kind, bij voorkeur het oudste jongetje, de meeste kansen krijgt. Families met een laag inkomen leggen dan al het geld bij elkaar om dat ene kind te scholen. Dochters uit arme families lopen nog de meeste kans om verstoken te blijven van onderwijs. Veel ouders zien het nut niet van een geschoolde dochter en geven het liefst zo min mogelijk geld uit aan het 'kansloze geslacht'.

Buitenlandse linguïsten hebben vastgesteld dat het een gemiddelde leerling in China drie keer zoveel tijd kost om een bedreven gebruiker van zijn taal te worden als een leerling in een land waar een Indo-europese taal wordt gesproken. “Als het eigen karakter van de Chinese taal invloed zou hebben op de schoolprestaties, dan zou het percentage ongeletterden veel groter moeten zijn”, werpt Guo tegen. Het is echter zeker dat het percentage ongeletterden veel groter is dan de Chinese autoriteiten beweren omdat volgens de Chinese maatstaf iemand pas een analfabeet is wanneer hij minder dan vijfhonderd Chinese karakters beheerst. Op de basisschool leren kinderen tot hun twaalfde jaar tweeduizend karakters.

Een bijzondere groep analfabeten behoort tot de generatie Chinezen die de pech hebben gehad op schoolgaande leeftijd te zijn geweest in één van de roerigste periodes uit de geschiedenis van de Volksrepubliek China. He Jin (40), hoofd van het onderwijsprogramma van UNDP (United Nations Development Project) in Peking, vertelt dat ongeveer vijftien procent van China's analfabeten het lezen en schrijven hebben verleerd doordat zij 'onderwijs volgden' gedurende de Culturele Revolutie. Tijdens die politieke campagne, die van 1966 tot 1976 heeft geduurd, werd vrijwel alle onderwijs in China stilgelegd en moesten de meeste intellectuelen boerenarbeid verrichten op het platteland. 'Stop de lessen en maak revolutie' was de leus.

He, die zelf scholier was tijdens de Culturele Revolutie, zegt dat zijn school drie jaar dicht was. “Toen de lessen weer begonnen, leerden we uitsluitend Mao te citeren”, aldus He. “Daar is het voor een grote groep mensen mis gegaan. Sommigen hadden voor 1966 al wel het één en ander geleerd, maar kregen door tussenkomst van de Culturele Revolutie niet de kans om het geleerde ook toe te passen. Na afloop, in 1976, zijn velen niet meer teruggekeerd naar de schoolbanken.”

Volgens de Chinese regering is sinds 1949, toen de communistische staat werd gesticht, getracht van overheidswege het analfabetisme te bestrijden. Vanaf dat jaar zou inmiddels aan meer dan 185 miljoen kansloze Chinezen het lezen en schrijven zijn bijgebracht, waardoor het percentage analfabeten zou zijn gedaald van tachtig procent in 1949 naar zestien procent in 1994.

De daadkracht waarmee de communisten het analfabetisme bestreden, was vooral ideologisch geïnspireerd: Als het volk zou kunnen lezen en schrijven zou een belangrijke oorzaak van klasse-ongelijkheid worden weggenomen. Om die reden werd het onderwijs ook gratis, zodat iedereen, ongeacht zijn of haar sociale achtergrond, zou kunnen schoolgaan.

Maar dat ideologisch streven lijkt de afgelopen jaren op de achtergrond te zijn geraakt, ondanks het laatste ontwikkelingsproject dat Chinese autoriteiten in 1988 afkondigden. Met 'de regels voor de bestrijding van ongeletterden' stelde Peking zich tot doel voorgoed een einde te maken aan het analfabetisme in het land. Het voegde er echter wel aan toe dat de twee miljoen gulden die jaarlijks zou worden besteed aan speciale scholingsprojecten volstrekt onvoldoende zou zijn. Helaas, zo heette het, het geld is op.

Om die reden wordt volgens Yang Xiaoyu, van de niet-gouvernementele Organisatie voor de Ontwikkeling van de Jeugd, sindsdien “een beroep gedaan op de welwillendheid van het Chinese volk”. Yang is de woordvoerder van het Xiwang- of Hoop-project, een initiatief van zijn organisatie. Het project, dat in 1988 werd opgezet, beoogt met de hulp van “Chinese burgers met een iets dikkere portemonnaie” de Chinese autoriteiten te steunen in de strijd tegen het analfabetisme. “Wij kunnen onmogelijk van onze regering verwachten dat zij alles bekostigen. De Chinese burgers moeten zelf met geld over de brug komen.”

Met tussenkomst van de organisatie van Yang kunnen Chinese burgers geld sturen naar kinderen in één van de door het Xiwang-project geselecteerde 648 'arme gebieden'. Dat zijn vooral kleine districten in dun bevolkte provincies van het zuidwesten en uiterste westen van China. Kinderen uit die gebieden kunnen zo voor twaalf gulden een jaar lang onderwijs volgen en hoeven geen geld meer te betalen aan hun leraren. De laatste jaren was de klad gekomen in het gratis onderwijs doordat de lonen van de leraren niet meestegen met de inflatie. Veel leraren konden niet meer in hun levensonderhoud voorzien en waren genoodzaakt geld te vragen van hun leerlingen.

Sinds de zes jaar dat het project nu bestaat is 72 miljoen gulden binnengehaald en zijn iets meer dan een miljoen kinderen geholpen. Verder zijn volgens de initiatiefnemers van het project 750 nieuwe scholen gebouwd. “Het is een groot succes”, zegt Yang, “zelfs mensen in het buitenland geven grote sommen geld.”

Chen Boxiang, een winkelbediende van veertig jaar, heeft zojuist tachtig gulden ingeleverd bij het kantoor van het Xiwang-project in Peking. Ondanks het feit dat Chen zelf slechts tweehonderd gulden per maand verdient zegt hij graag bereid te zijn iets van zijn spaargeld af te staan. “Met dit bedrag kan het kind dat ik help zes jaar lang naar school gaan.” Waar het Chen verder om gaat is dat zijn eigen kind iets leert van het platteland en “de armoede in China.” “Ik heb de naam en het adres van het meisje dat ik help. Ik ben van plan samen met mijn zoon het meisje op te zoeken en misschien nodig ik haar een keertje uit in Peking”, zegt Chen.

Ondanks het succes heeft het Xiwang-project veel kritiek gehad. Nadat in 1992 door donateurs uit Hongkong werd beweerd dat de organisatie het verzamelde geld in eigen zak stak, bleken veel Chinezen alleen nog bereid geld te geven als ze het bedrag persoonlijk aan de ouders of de scholen zouden kunnen overhandigen. Een aantal Chinese kranten kritiseerde bovendien de resultaten van het project. Zo berekende de Shenzhen Youth Daily, dat met de jaarlijkse opbrengst van het Xiwang-project het nog 1.300 jaar zou duren voordat de 140 miljoen plattelandskinderen zouden zijn geholpen.

Het werkelijke probleem, schreef dezelfde krant eind vorig jaar, “berust in het feit dat de Chinese regering te weinig geld wil besteden aan onderwijs.” Met acht gulden per jaar zou China wereldwijd het minste geld per hoofd van de bevolking uittrekken. Dat geld is volgens de krant wel degelijk voorhanden. Het zou echter worden verkwanseld aan overdadige banketten en peperdure bedrijfsauto's. Met het geld dat Chinese ambtenaren in 1994 'op kosten van de zaak' aan banketten uitgaven, zouden veertien keer zoveel analfabeten kunnen worden geholpen dan op dat moment in China aanwezig waren.

In het Luanping district in Hebei, waar in totaal tien scholen gebruik hebben gemaakt van het Xiwang-project, wordt alle kritiek van tafel geveegd. “Leugens”, zegt Gao Minglin, een ambtenaar van het districtsbestuur van Luanping. Hij acht het ondenkbaar dat Chinese overheidsfunctionarissen corrupt zijn. “Als dat het geval was, hoe kan het dan dat we het nu zoveel beter hebben dan vroeger?” Ze is er zeker van dat de Chinese regering een groot gebrek heeft aan financiële middelen. Gao is medeverantwoordelijk voor de verdeling van het geld dat afkomstig is van het Xiwang-project. Om vooral geen misverstanden te laten bestaan acht zij het van belang één van de scholen te laten zien die met behulp van het project zijn gebouwd.

Chen Wangruo, hoofd van een school in Hualougou, driehonderd kilometer ten noorden van Peking, vertelt wat het Xiwang-project voor zijn school heeft betekend. Het 55-jarige schoolhoofd is zeer enthousiast. Het gebouw waar zijn 127 leerlingen tegenwoordig zijn ondergebracht, is een jaar oud en voor een groot deel bekostigd met geld van het Xiwang-project. Trots opent Chen de deuren van de kale lokalen met zanderige vloeren.

Ook Zhu Xiaobo en Zhu Xiaoqing, de twee boerenzonen die dagelijks een uur moeten wandelen voordat zij de school hebben bereikt, krijgen hier les. Dat de jongste zoon hier schoolgaat, is een rechtstreeks gevolg van het Xiwang-project. Xiaobo en Xiaoqing vertellen hoe prettig het is dat ze nu een nieuw schoolgebouw hebben. Het oude gebouw, dat nog altijd achter de nieuwe school staat en waar nu de leraren wonen, was donker en als het regende lekte het dak. De jongens zijn vooral enthousiast over de centrale verwarming in hun nieuwe school. Van schoolhoofd Chen moeten de broertjes Zhou nog iets zeggen over hun schoolresultaten. “Ik doe altijd mijn huiswerk”, zeggen ze beiden braaf. “En na school wil ik naar de universiteit”, zegt de oudste. Het jongere broertje beaamt het. En daarna? “Dan willen we politie-agent worden”, roepen ze in koor.