De pyromaan die rustig ging slapen

Waarom sticht iemand brandjes? Een actuele vraag, want juist de laatste tijd lijkt het een geliefkoosde bezigheid. Meestal komen alleen de grote branden in het nieuws. Je moet tegenwoordig als pyromaan liefst meteen voor een paar miljoen gulden aan gebouwen (eventueel inclusief mensen) in de as leggen - anders val je niet op.

Mark Verhegen behoort tot de categorie van de kleinere pyromanen. Aan het grote werk is hij nooit toegekomen, al heeft het niet veel gescheeld. Onder iets ongunstiger omstandigheden hadden ook Verhegens brandjes gemakkelijk in catastrofes kunnen eindigen.

Van 1990 tot 1995 stichtte de 24-jarige Verhegen naar eigen zeggen vijf tot tien branden in de kelderruimte onder het flatgebouw waar hij met zijn ouders woonde. De branden ontstonden 's nachts steeds in en bij de kelderboxen. Het leidde tot grote schade en veel onrust onder de bewoners.

Sommigen verdachten Verhegen van de brandstichting, omdat ze hem enkele malen via de brandtrap omhoog hadden zien gaan naar zijn flat. Thuis gekomen, rookte hij op het balkon nog even een sigaretje en ging dan slapen. Eén bewoonster sprak er Verhegen in 1992 op aan, maar hij ontkende. De politie heeft hem nooit gehoord.

“U heeft iedereen vernaggeld”, zegt mr. S. Braunius, de rechter van de Utrechtse strafkamer die de ondervraging leidt. “Waarom kwam u na dat gesprek in 1992 niet tot inkeer?”

“Ik zag de mogelijke gevolgen niet onder ogen.”

“Dat begrijp ik nu juist niet. Weet u achteraf waarom u het deed?”

“Het was een verborgen uiting van frustratie.”

“Wàt nou frustratie?” De rechter herinnert hem eraan dat hij de voorafgaande avond vaak met veel plezier leiding had gegeven in een jongerenvereniging.

“Op het moment dat ik naar huis ging, bleef ik alleen achter. Dan werd ik geconfronteerd met mijn eenzaamheid.”

“En dan ging u maar een vuurtje stoken.”

De rechters nemen het hem vooral kwalijk dat hij nooit open kaart heeft gespeeld. Het was allang duidelijk dat hij psychische problemen had. Zijn vorige vriendin wist hem zelfs naar een therapeut te krijgen, maar ook tegenover hem verzweeg hij zijn pyromanie. Het is nog steeds de vraag of hij niet meer branden heeft gesticht dan hij nu bekent.

“Waarom moeten we geloven dat u schoon schip heeft gemaakt,” vraagt een rechter.

“Ik zie dit als een kans om opnieuw te beginnen.”

Mr. Braunius doet een hernieuwde poging de psyche van de verdachte te doorgronden. “U zegt dat u uit een groot gezin komt en misschien verwend bent. Vindt u dat echt?”

“Ik ben beschermd opgevoed.”

“Ik ook. Dat wil nog niet zeggen dat je je medebewoners gaat terroriseren.”

“Ik heb thuis nooit geleerd om me te verantwoorden voor mijn daden.”

“U legt de schuld bij uw omgeving, maar ik denk dat u beter eerst naar uzelf kunt kijken.”

“Ik wil niet anderen de schuld geven.”

“Weet u wat ik zo gek vind? Dat u niet eens afwachtte of de brandweer kwam. U ging gewoon naar bed. Wilt u daar iets over zeggen?”

Verhegen zwijgt. Het is misschien het grootste raadsel van deze vorm van pyromanie: de neiging tot zelfdestructie. Hij had immers kunnen omkomen in de vlammen die hij zelf had veroorzaakt. Hij zegt dat hij nooit aan die mogelijkheid heeft gedacht.

Uit de psychiatrische rapportage komt het beeld van een redelijk intelligent, maar falend mens naarvoren. Met zijn hbo-studie en in banen en relaties liep het steeds weer mis. Het ontbrak hem aan doorzettingsvermogen. Omdat zijn broers en zusjes wèl slaagden, moeten diepe gevoelens van mislukking hem hebben gekweld. Hij verdrong zijn problemen en bouwde een schijnwereld voor zichzelf op, daarbij geholpen door fors alcoholgebruik. Tegenover de buitenwereld toonde hij weinig emoties, hij vluchtte snel in ontwijkend gedrag.

“Uw beweegredenen zijn me nog niet veel duidelijker geworden”, zegt de rechter.

“Ik zit zelf ook nog met veel vragen. Ik hoop dat die in de behandeling beantwoord kunnen worden.”

“Uw verantwoordelijke werk bij die jongerenvereniging is wel heel erg in strijd met uw gedrag.”

“Daar heb ik pas recentelijk bij stilgestaan.”

De presidente, mevrouw mr. R. Meertens, stelt vragen naar, zeg maar, de psychologie van het brandstichten. “Wanneer kwam de gedachte bij u op? Hoe gaat dat?”

“Op het moment dat ik in de box ben.”

“Waarom gaat u naar de box?”

“Om mijn fiets te stallen.”

“En dan dacht u: ik doe het maar weer eens?”

Verhegen zwijgt.

“Heeft u het ook wel eens niet gedaan als die drang opkwam?”

“Dat weet ik eigenlijk niet.”

“Dat u een soort strijd met uzelf leverde?”

“Dat is niet voorgekomen.”

De rechter wil weten hoe hij zich de volgende morgen voelde: ellendig of tevreden? “Ik was een paar keer grotendeels vergeten wat er gebeurd was”, zegt Verhegen.

“Ook als u de schade vernam?”

“Er kwam niet echt een schuldgevoel bij me op.”

Hij ontkent dat de brandjes wraakpogingen waren op mensen die hij niet mocht. Zijn reacties op de vragen van de rechters blijven tamelijk lauw en ontwijkend. Misschien dat de presidente hem daarom opeens nogal ferm toespreekt. “Weet u wel dat u, als u hiermee doorgaat, met open ogen op tbs afstevent? Dan wordt het opsluiten en hopen dat het beter wordt: drie, vijf jaar, of misschien wel nooit? Realiseert u zich dat?”

“Ja.”

De officier van justitie, mevrouw mr. H. Rutgers, gelooft in het oordeel van de psychiatrie dat er een stoornis is in de geestvermogens van Verhegen. Maar zij acht hem 'voor een behoorlijk deel' wèl toerekeningsvatbaar. Ze eist een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk. Toezicht van de reclassering en eventueel een dagbehandeling in een inrichting, lijkt haar gewenst.

“Hij moet tot behandeling gedwongen worden, anders haakt hij af”, zegt ook zijn advocate, mr. M. Kubatsch. Zijn broer is bereid hem in huis op te nemen, zodat de flatbewoners zich geen zorgen meer hoeven te maken.

(Het vonnis, twee weken later: een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk.) De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.