Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Muziek

Twaalf versleten violen per jaar; Pietro Antonio Locatelli, de Paganini van de achttiende eeuw

De componist en violist Pietro Antonio Locatelli was een van de eerste freelancers uit de muziekgeschiedenis. Hij trad op in alle grote steden van Europa en oogstte succes en afschuw met zijn 'spel als een aardbeving'. In 1729 vestigde hij zich in Amsterdam, dat nu zijn 300ste geboortedag viert met een festival.

Het Locatelli Festival vindt van 3 tot 15 september plaats op verschillende Amsterdamse lokaties. Inl. 020-6967894. Jaap van Zweden en het Combattimento Consort Amsterdam o.l.v. Jan Willem de Vriend spelen Concerto's no. 1, 2, 5 & 6 uit Locatelli's L'Arte del Violino. Sony Classical 45725. Elizabeth Wallfisch en The Raglan Baroque Players o.l.v. Nicholas Kraemer spelen de complete L'Arte del Violino van Locatelli. Hyperion CDA 66721/3.

Een sobere gedenkplaat op de gemoderniseerde voorgevel van zijn huis aan de Prinsengracht 506 herinnert nog aan zijn verblijf in Amsterdam. In Amsterdam Zuid is er zelfs een kade naar hem vernoemd, maar zijn graf in de Engelse Kerk op het Amsterdamse Begijnhof is niet meer te traceren. De Italiaanse violist en componist Pietro Antonio Locatelli (1695-1764), die zich in 1729 in Nederland vestigde, werd bij de barokrevival in het begin van de jaren zestig aanvankelijk over het hoofd gezien. Maar door de ontdekking van fascinerende tijdgenoten als Albertus Groneman en Unico Wilhelm van Wassenaer bleek de Hollandse pruikentijd minder saai dan vaak werd gedacht.

Een achttiende-eeuwse muziekliefhebber uit Amsterdam kon rond 1750 op maandagavond naar de Italiaanse opera, op dinsdag naar een concert in de Doelen, op woensdag naar een uitvoering in de concertzaal boven de Manege aan de Leidsegracht, en op donderdag weer naar de Italiaanse opera. Op vrijdagavond volgde de Franse komedie en op zaterdag de Stadsschouwburg, waarna menig patriciër op zondagmiddag na de kerkdienst de week besloot met een exclusief huisconcert. Dat er tijdens die concerten werd gekeuveld en gegeten, deed niets af aan de oprechte muzikale belangstelling van de gegoede burger. Buitenlandse virtuozen werden geprefereerd boven de musici van eigen bodem. Zo moesten briljante Nederlandse violisten als Willem de Fesch (1687-1761) en Pieter Hellendaal (1721-1799) uitwijken naar Engeland om in hun onderhoud te kunnen voorzien, terwijl hun Italiaanse collega Locatelli in Amsterdam met open armen werd ontvangen.

Wat bezielde deze 'Paganini van de achttiende eeuw' om zich in 1729 in ons land te vestigen? Zowel Arend Koole, die in 1949 als eerste Nederlander een biografie over Locatelli publiceerde, als Albert Dunning, wiens Locatelli-biografie in 1981 verscheen en die nu een wetenschappelijke Schott-editie van Locatelli's complete oeuvre voorbereidt, moeten het definitieve antwoord op deze vraag schuldig blijven. Volgens Dunning was de kunstenaar Locatelli al dood toen hij halverwege zijn leven in Amsterdam ging wonen: 'De eens zo schitterende virtuoos trok zich terug, en als componist publiceerde hij vooral oudere werken en lange tijd zelfs helemaal niets.' Volgens de achttiende-eeuwse chroniqueur Jacob Wilhelm Lustig bleef 'de Italiaansche spaarbus' Locatelli in Amsterdam hangen, 'naa reeds braave sommen in de bank te Venetië te hebben belegd, tot een gerust Leven op den ouden Dag'.

Lompenmannetje

Tot 1729 leidde Locatelli een avontuurlijk leven. Hij kreeg zijn opleiding in zijn geboorteplaats Bergamo, waar hij op zijn veertiende 'derde violist' werd van de Basilica di Santa Maria Maggiore en trok in 1711 naar Rome om bij de grote Corelli te gaan studeren. Toen deze kort daarop stierf, werd Locatelli leerling van de excentrieke violist en componist Valentini, bijgenaamd 'il straccioncino' (het lompenmannetje), die hem een baan bezorgde als huismuzikant van de aristocratische Romeinse familie Caetani.

In 1723 verruilde Locatelli Rome voor een rondtrekkend bestaan als vioolvirtuoos. Hij speelde aan de hoven in Mantua, München, Dresden, Berlijn en Kassel. In die tijd moet hij ook in Venetië hebben vertoefd, want in 1733 droeg hij zijn L'Arte del Violino (gedrukt door Le Cène in Amsterdam) op aan de Venetiaanse patriarch Gerolamo Michiel Lini, die 'zo vriendelijk was om de concerten te beluisteren en te bewonderen' toen hij ze daar speelde. Met het uit 12 concerten en 24 capricci opgebouwde meesterwerk, wist hij de toenmalige muziekwereld te verbijsteren. Het werk, waarvan de capricci door de meeste violisten nog steeds als onspeelbaar worden beschouwd, was een soort compendium van het vioolspel.

Locatelli buitte zijn positie als een van de eerste freelancers uit de muziekgeschiedenis goed uit. Hij trad op in een met zilverdraad bestikte blauw-fluwelen mantel, met een glimmende degen aan zijn zijde. Geamuseerd door zoveel uiterlijk vertoon liet de Pruisische koning, die bekend stond om zijn soberheid, Locatelli na afloop van een optreden aan zijn hof twintig thalers bezorgen. De maestro weigerde zo'n fooi te accepteren, en schonk het geld aan een bediende.

In hoeverre deze anekdote op waarheid berust is, zoals haast alle 'feiten' uit het leven van Locatelli, onduidelijk. Maar zeker is, dat de violist goed met geld kon omgaan. Het blijkt uit de indrukwekkende verzamelingen die hij bij zijn dood naliet. De inventaris noteerde '1012 differente boeken met prenten zoo groot als klyn' (van Cicero en Dante tot en met Racine) en '188 musiek als diverse andere boeken' (waaronder een concert van Vivaldi, opera's van Corelli en Tartini, een sonate van Scarlatti, en Valerius' Nederlandtsche Gedenck-clanck uit 1626). Hij bezat een 'verzameling van 142 Prenten Pourtraiten' (van Dürer en Rembrandt tot Van Ostade), en allerlei curiosa en snuisterijen, (waaronder een degen 'met een zilver gevest en portépee', schoengespen met aan weerszijden 20 diamanten, en snuifdozen van goud en zilver).

In zijn muziekvertrek bevonden zich twee klavecimbels, een forte-piano, vier violen (onder meer van de gebroeders Amati en van Jacobus Stainer), een altviool, een cello, een 'extra fraaije Dwarsfluit met Zilvere klep' en een 'Fluit d'Amour' van Willem Beukers. De zes lessenaars in het vertrek suggereren dat hij zijn muziek thuis uitvoerde.

Duidelijk is dat Locatelli sinds hij zich in Amsterdam had gevestigd geen zin meer had om zijn duivelskunsten op de viool in het openbaar te vertonen. Hij concentreerde zich op de publikatie van zijn negen opusnummers, waaronder concerti grossi, toneelmuziek, viool- en triosonates, en concerten, waarin hij vliegensvlug een imponerende ontwikkeling doormaakte van de 'altvaterliche' barok naar de style galante.

De uitstekende reputatie van de Nederlandse muziekdrukkers, die onder meer het werk van Vivaldi en Geminiani uitgaven, moet Locatelli in eerste instantie naar Amsterdam hebben gelokt. Hij werd er al gauw een geliefde figuur, gaf besloten concerten, kreeg leerlingen uit de koopmansgeslachten, en musiceerde regelmatig met zijn collegium musicum, een ensemble van dilettanten met wie hij zijn eigen muziek uitprobeerde. Locatelli mat zich al gauw de gemoedelijke levensstijl aan van zijn nieuwe klandizie, onder wie de welgestelde Amsterdamse burgemeesterszoon Mattheus Levestenon, aan wie hij zijn Opus 5 opdroeg.

Niet altijd had Locatelli op zoveel waardering kunnen rekenen als van de Amsterdammers, die hem prezen vanwege zijn 'temperamentvolle en gevoelige vioolspel'. Volgens de roddelzieke Lustig vergeleek de hofnar van het Hof in Kassel Locatelli's vioolspel met dat van de duivel. Hij zou, 'al krassend', slechts proberen zijn toehoorders te verwonderen. Een andere ooggetuige vergeleek zijn spel met 'een aardbeving', Locatelli kon volgens hem moeiteloos drie uur achtereen de meest onwaarschijnlijke capriolen op zijn instrument uithalen, en moest jaarlijks ten minste twaalf violen verslijten.

Wat uit deze reacties naar voren komt, is het eeuwige dilemma tussen oppervlakkige virtuositeit en muzikale integriteit, tussen de charlatan en de edele vertolker. Waar op die schaal de violist Locatelli zich precies heeft bevonden, valt niet meer te achterhalen.

De verbijsterende techniek van de violist Locatelli heeft een beoordeling van de componist in de weg gestaan. Barokviolisten, die in bibliotheken wel eens iets onbekends opsporen, meden L'Arte del Violino uit angst voor de moeilijke capricci. Daardoor verschenen er geen fatsoenlijke uitgaven, waardoor vioolvirtuozen vervolgens niet op het idee zijn gekomen Locatelli te spelen.

Toen violist Jaap van Zweden en het Combattimento Consort Amsterdam o.l.v. Jan Willem de Vriend in 1991 het spits afbeten met hun inmiddels met platina bekroonde opname van enkele concerten uit L'Arte del Violino, overigens zonder de onspeelbare originele capricci, haalde Locatelli meteen de Klassiek Top Tien. Daarop volgde de Australische barokvioliste Elisabeth Wallfisch met een dappere maar moeizame vertolking van de complete L'Arte del Violino. Er zijn nog veel uitvoeringen nodig om Locatelli op waarde te kunnen schatten.